Jelle Galema: ‘Ik ben nooit een grijze muis geweest’

‘Het was dat tafeltje. Daar in de hoek.’ Jelle Galema schuift aan in het eetcafé in Boxtel waar zijn topsportleven begon. Pas zestien jaar was hij toen hij hier met zijn ouders zat, op het punt zijn eerste hoofdklassecontract te tekenen. Vele jaren en goals later, staat de markante spits van Oranje-Rood aan de vooravond van zijn laatste maanden als hockeyer. ‘Al die lulligheid, ik vind het verschrikkelijk.’

De plek waar alles veranderde

‘Hier zat ik zeventien jaar geleden, met mijn ouders en Toon Siepman. Die was toen nog assistent-coach van Heren 1 van Oranje Zwart. Ik zat nog op de middelbare school en hockeyde bij MEP, hier in Boxtel. Ik was zo groen als gras. En opeens ging het over een contract bij een topclub in de Hoofdklasse. Dat voelde voor mij als een droom.’

‘Door dat gesprek belandde ik ineens in een wereld die ik alleen van tv kende. Ik wist alle namen, ik ademde hockey. Ik ging met mijn vader wekelijks naar de Hoofdklasse kijken. Als ik een nieuwe stick had, nam ik die mee naar bed. Het was ook een raar moment. Want tot dan deden we het heel goed met MEP. Je kent vast de verhalen over onze gouden lichting, met Glenn Schuurman en Roel Bovendeert. We hadden echt iets moois neergezet met elkaar. Waren alle drie jeugdinternational.’

‘Toen ons Heren 1 degradeerde naar de Eerste Klasse, hield de groei een beetje op. We waren op een leeftijd dat we dachten aan de tijd na de middelbare. Glenn en Roel wilden wel naar het westen. Studeren in Amsterdam, hockeyen bij Bloemendaal. Ik bleef liever in Brabant, daar voel ik me thuis. Maar ik ben MEP nooit vergeten. Sterker nog: ik kom er nu meerdere keren per week, als trainer van mijn dochter die daar in de jongste jeugd hockeyt.’

De gouden generatie van MEP. Bovenste rij, geheel links coach Eric Verboom, derde van links Jelle Galema, naast Roel Bovendeert en vervolgens Glenn Schuurman.

De bijzondere lift

‘Ik was dus zestien toen ik naar Oranje Zwart ging. Ik had natuurlijk nog geen rijbewijs. Ook geen scooter of brommer, dat was ook te ver geweest. Mijn vader bracht me, totdat een teamgenoot na een paar weken zei dat ik wel mee mocht rijden. Ik ben nooit een grijze muis geweest, maar dat vond ik wel een beetje ongemakkelijk. Het was namelijk niet zomaar iemand, die dat vroeg. De vraag kwam van degene tegen wie ik het meest opkeek. Inderdaad, Jeroen Delmée.’

‘Hij was bezig aan zijn laatste seizoenen als speler. Had alles al gewonnen, maar was nog bloedfanatiek. Hij nam mij onder zijn hoede. Pikte me op bij een viaduct, hier om de hoek. Zo is het anderhalf jaar gegaan. We leerden elkaar kennen en bleken wel een klik te hebben ondanks het leeftijdsverschil van zo’n twintig jaar.’

‘Op een gegeven moment vroeg Jeroen of hij mijn stick even kon vasthouden. Hij lachte er een beetje om. Vond het een luciferhoutje, waarmee je geen bal hard kon slaan of kon aannemen. De volgende training nam hij een stick voor mij mee. Langer, zwaarder en stroever. Ik kon er eerst niets mee. Achteraf bleek het een geweldige zet. Ik controleerde veel meer ballen en ging steeds harder schieten. Dat is zelfs een handelsmerk geworden.’

‘En weet je? Ik zeg het nu zelf tegen jonge gasten. Dat ze zaalhockeysticks hebben. Het tijd wordt voor een grote-mannen-stick als ze mee willen doen in de Hoofdklasse.’

De grandioze start

‘Na een paar jaar begon het te lopen bij Oranje Zwart. Michel van den Heuvel maakte er een geweldig team van, dat iedereen kapot speelde. We werden drie keer landskampioen en wonnen de EHL. Als talent kreeg ik veel vrijheid en kon ik amper wat verkeerd doen. Druk? Verwachtingspatroon? Ik wist niet eens wat dat was. Op mijn twintigste kreeg ik een kans bij Oranje en ik veroverde snel mijn plekje. In de zomer dat ik debuteerde speelde ik mijn eerste EK.’ 

‘Een jaar later stond ik op het WK in Den Haag. Zo’n toernooi met allemaal bekenden op de tribune, in een voetbalstadion. Dat is by far het vetste wat ik met Oranje heb meegemaakt. Ik speelde ook nog eens goed, al zeg ik het zelf. Het voelde als mijn doorbraak. Alsof ik volwaardig international was.’

‘Ik droomde van een lange loopbaan in het Nederlands elftal. Van de Olympische Spelen, net als mijn idool Piet-Hein Geeris. Andere spelers hadden meer talent, maar met mijn snelheid en mentaliteit kwam ik een heel eind. Ik fladderde overal zorgeloos doorheen.’

 

Galema tijdens de halve finale van het WK in Den Haag. Foto: Willem Vernes

Het keerpunt in Oranje

‘Ik voelde me heel erg op mijn plek bij Oranje. Dat werd anders na het vertrek van Paul van Ass. Onder Max Caldas veranderde nogal wat in de selectie. De hiërarchie werd helemaal opgeschud, er kwamen veel spelers bij. Bij het eerste toernooi was ik reserve, maar mocht ik door een blessure toch mee. Het typeerde die periode: ik was geen zekerheidje meer. Ik werd onrustig en dat was ook terug te zien in mijn spel.’

‘Ik ging veel te veel nadenken. Dat werd ook door de staf benadrukt, waardoor ik juist nóg meer ging piekeren. Vlak voor de Spelen van Rio speelde ik heel goed in de play-offs, scoorde drie keer in de finales. Ik kreeg te horen dat ik er goed voorstond. Maar een week later zat ik toch niet in de olympische selectie. Ik was geknakt, maar heb nooit opgegeven. Speelde in 2019 nog een EK. Maar dat onbevangen gevoel van die eerste jaren is nooit meer teruggekomen.’ 

Naar de buren

‘In 2018 ben ik van Oranje-Rood naar Den Bosch gegaan. Ik hoorde dat ‘men’ het een stap terug vond. Ik wist wel beter. Ik wilde meer verantwoordelijkheid, maar dat kreeg ik niet bij OR waar heel veel topinternationals rondliepen. Bij Den Bosch zou ik een van de leiders van het team worden, dat was voor mijn ontwikkeling heel interessant. In mijn geboortestad, met mijn oude jeugdtrainer Eric Verboom als coach. Perfect, voor mij.’ 

‘Den Bosch was op dat moment een middenmoter. Maar met elkaar konden we een volgende stap maken. Ik bloeide op, werd zelfs uitgeroepen tot beste speler van de competitie. Den Bosch deed opeens echt mee bovenin. Totdat corona kwam. We stonden tweede toen de competitie stopte. Nu ik erover praat, voelt het nog steeds als unfinished business.’

‘Dat ik naar Den Bosch ben gegaan, was voor velen een verrassing. Dat ik na drie jaar terugkeerde bij OR was misschien nog wel specialer. Bij Oranje-Rood zagen ze ook hoe ik was gegroeid bij Den Bosch. Ze zagen hoe hun ‘kindje’ bij de buurman floreerde. Ze wilden graag dat ik terugkwam en dat lieten ze ook blijken. Ik weet dat het in de hockeywereld een taboe is, maar ik kreeg gewoon een supergoede aanbieding. Het gaat niet alleen maar om het sentiment. Ik heb ook drie kinderen. Natuurlijk spelen financiën dan ook een rol. Het voelde bij Oranje-Rood weer als thuiskomen, al hebben we sportief nog niet genoeg afgedwongen.’

Galema zet met Eric Verboom de lijnen uit bij Den Bosch. Foto: Willem Vernes

De pijn van een vriend

‘Ik baal van alle wedstrijden die we verloren hebben. Het missen van Rio in 2016 doet ook nog steeds pijn. Maar al die dingen vallen in het niet bij de tegenslag van vorig seizoen. Mijn teamgenoot en maat Gijs van Merriënboer kreeg een tumor in zijn been. De meeste mensen in de hockeywereld kennen dat verhaal. Het is voor mij een gebeurtenis die alles relativeert. We kunnen ons heel druk maken als het op zondag tegenvalt, maar dat wordt heel nietig als het over gezondheid gaat. Dat is een totaal ander level.’

‘Ik heb het leven van een van mijn goede vrienden totaal zien veranderen. Hoe hij als topsporter opeens een kankerpatiënt werd. Die jongen zat naast mij in de kleedkamer en dacht dat hij springschenen had. Een paar weken later zat-ie aan de chemo. Dat heeft mij enorm geraakt. Nog steeds. Dan voel je je heel erg kwetsbaar en weet je dat garanties niet bestaan.’

Het bijna-perfecte einde bij Oranje

‘Ik had er tijdens de Spelen van Parijs gewoon bij moeten zijn. Ik kende Delmée natuurlijk al, toen hij begon als bondscoach. We hebben lang gepraat, hij had een mooie rol voor mij in gedachten. Ik kon een van de kartrekkers worden van zijn nieuwe Oranje. We spreken dezelfde taal, hebben dezelfde mentaliteit. Ik zag het al voor me. Op mijn 32ste in Parijs, kids op de tribune. Het klonk allemaal perfect.’

‘Alleen werkte mijn lijf niet mee. Ik kreeg twee zware enkelblessures. Kreeg een kans om terug te komen, maar dat is nooit helemaal gelukt. Een paar trainingen in de week kan ik prima aan. Een intensief programma of toernooi met Oranje is een andere zaak. Ik deed er alles aan om weer fit te worden. Ik had een dikke auto kunnen kopen van al het geld dat ik in de enkel heb gestoken. Toen ik het WK van 2022 niet haalde, wist ik genoeg. Met pijn in het hart zette ik een streep onder mijn tijd in het Nederlands elftal.’

Galema (rechts) met daarnaast zijn vriend en teamgenoot Gijs van Merriënboer. Foto: Bart Scheulderman

De zorgen om de Hoofdklasse

‘Ik ben een liefhebber. Zal ik ook altijd blijven. Maar ik maak me ook zorgen om het hockey. In de tijd dat ik in Hoofdklasse speel, is er qua professionaliteit weinig veranderd. Ik sta soms te douchen in beschimmelde kleedkamers. Moet inlopen op een knollenveld. Je hebt mazzel als bij een uitwedstrijd een speaker je naam goed uitspreekt. Toppers die worden gespeeld op een zaterdagavond, voor een handvol mensen. Al die lulligheid, ik vind het verschrikkelijk. ’

‘We hebben namelijk echt goud in handen. Onze Hoofdklasse is de beste competitie ter wereld. De Premier League van het hockey. Maar het lijkt soms wel alsof we er helemaal niet trots op zijn. Alsof we dat amateurisme wel charmant vinden. De competitie kan veel spannender. Aan de bovenkant en de onderkant zijn meer do-or-die-wedstrijden nodig. Ik weet dat er weleens gekeken is naar een andere manier om de Hoofdklasse om te zetten. Daar wil ik graag over meedenken.’

‘En om nog een gevoelig punt aan te snijden: het slaat natuurlijk nergens op dat toeschouwers alleen in de play-offs entree moeten betalen. Als ik hier in de buurt naar een voetbalteam in de Derde Klasse ga, moet ik ook vijf euro lappen. Ik geloof echt dat mensen bereid zijn om dat te doen. Als je er een goede plek en wat entertainment voor terugkrijgt, mag een paar euro echt geen probleem zijn.’

Het droomeinde

‘Natuurlijk hoop ik dat dit verhaal maar op een manier eindigt. De eerste seizoenshelft was heel goed. We staan eerste. Die uitgangspositie voor de tweede seizoenshelft kan niet beter. Maar, zoals Michel het ooit mooi zei: als wij op 95 procent spelen, zijn we een ermoedig ploegske. Zo is het ook.’

‘Maar… als we op 110 procent zijn, dan zijn we amper te verslaan. De play-offs moeten we halen. Daarna kúnnen we kampioen worden. Dan zou Oranje-Rood terug zijn op de plek waar het thuis hoort. Aan de top.’


Wat vind jij? Praat mee...