Hockeyen in Frankrijk: ‘Een biertje drinken na afloop kenden ze niet’

In de serie ‘Buitenlands avontuur’ verhalen van Nederlandse hockeyers die over de grenzen hebben gespeeld. Deze week Jaap Arriëns (73), die in de jaren tachtig van de vorige eeuw drie seizoenen in de Franse competitie voor Stade Français heeft gehockeyd.

Op de zondagen liep de wekker in huize Arriëns in Frankrijk al vroeg af. De afslag voor Heren 5 stond om 09.30 uur of om 11.00 uur gepland. Dat had niets te maken met een gebrek aan velden voor de hockeyers, maar alles met de Franse cultuur. ‘De warme lunch op zondag met de familie is heilig voor de Fransen en op zich vond ik die vroege wedstrijden ook niet erg, want dan kon ik ’s middags met mijn gezin wat leuks doen.’

Verhuizing

Arriëns verhuisde in de zomer van 1981 vanwege zijn maatschappelijke carrière met vrouw en kinderen naar Frankrijk. Als werknemer van de Koninklijke Nederlandse Marine ging hij aan de slag bij Centre International de Gestion des Matériels Atlantic (CIGMA), het logistieke centrum voor maritieme patrouillevliegtuigen in Toussus-le-Noble ten zuidwesten van Parijs.

De Nederlandse equipe van Stade Français in Stade Croix de Berny. Staand v.l.n.r: Bart van de Ven, Tony van der Hout, Denis Grillot (de Franse keeper), Helgert van Raamt, Jeroen Berendsen, Rob Weber, Bart Stuart, Jaap Arriëns. Zittend v.l.n.r.: Chris Buma, George de Beer, Frank Verheugt, Boudewijn von Seydlitz, Nico Keverling Foto: Collectie Jaap Arriëns

‘Ik vond het een mooie baan en mijn vrouw en ik hadden allebei een affectie voor Frankrijk’, legt Arriëns de keuze uit. ‘Mijn vrouw had ook in Frankrijk gestudeerd en sprak een beetje Frans. Het leek ons goed voor de kinderen en er waren ook niet heel veel collega’s die deze kant op wilden gaan. Dat ik in Parijs ben gaan hockeyen, kwam omdat het CIGMA nu eenmaal bij Parijs lag.’

Pas op dertiende gaan hockeyen

Op het moment van de verhuizing was Arriëns al twintig jaar een fanatiek hockeyer, nadat hij pas op de middelbare school kennis had gemaakt met de sport. Hij speelde in Nederland onder meer voor Apeldoorn, Adelborsten HV, Be Fair en HSC Hermes. ‘Ik kon best goed hockeyen, maar ik heb niet het hoogste bereikt. Hockey was lastig te combineren met mijn werk en ik ben ook pas op mijn dertiende begonnen. Ik was een verdediger, dat paste mij gewoon, maar eigenlijk heb ik wel op alle posities gespeeld.’

Nadat het gezin was gesetteld in de Franse hoofdstad ging Arriëns naar de Nederlandse ambassade om zich aan te melden als lid van de Nederlandse Vereniging, een ontmoetingsplatform voor alle Nederlanders in Parijs en omgeving. Deze vereniging organiseert jaarlijks tal van bijeenkomsten zoals Sinterklaas en Koningsdag.

Stade Croix de Berny met zwart gravelveld. Foto: Collectie Jaap Arriëns

Hij vroeg aan iedere Nederlander die zich aanmeldde voor de Nederlandse Vereniging of die kon hockeyen Jaap Arriëns over ambassade-medewerker Boudewijn von Seydlitz Kurzbach

Op de ambassade raakte Arriëns in gesprek met Boudewijn von Seydlitz Kurzbach, een ambassade-medewerker die zelf hockeyde bij Stade Français. ‘Hij vroeg aan iedere Nederlander die zich aanmeldde voor de Nederlandse Vereniging of die kon hockeyen. Boudewijn had contact met een andere Nederlander, Nico Keverling Buisman, die in het bestuur zat van Stade Français. Hij regelde in die jaren Nederlandse speelsters voor Dames 1. De club was daarom ook genegen de Nederlanders die wilden hockeyen een eigen team te laten formeren.’

Dat werd Heren 5 en daarmee werd het team onderdeel van een van de succesvolste hockeyclubs van Frankrijk. Hockey was slechts een van de takken van sport van de omnisportvereniging, die in 1903 was opgericht. Aan de westkant van Parijs beschikte de hockeyclub in het Parc de Saint-Cloud over een prachtig hoofdveld en clubhuis.

‘Toen wij daar op een mooie zaterdagmiddag voor de allereerste keer verzamelden als Heren 5 om te gaan trainen, kregen we te horen dat we niet het veld op mochten. Het veld was alleen bestemd voor de eerste teams. Wij moesten naar een complex acht kilometer verderop in Vaucresson. Daar lagen grasvelden, maar er was geen clubhuis en er waren ook geen kleedkamers of een wc.’

Strafcorner Stade Français in de uitwedstrijd tegen Montrouge. Foto: Collectie Jaap Arriëns

Mengelmoes

Heren 5 was volgens Arriëns ‘een mengelmoes’: ‘Studenten, werkenden, passanten. We hadden later wel een Franse keeper, Denis. Het was lastig om aan keepers te komen. Denis had een Nederlandse vriendin, dus er was een link met Nederland. Van origine was hij een rugbyer. We speelden overigens niet in de officiële clubkleuren van Stade Français. We hadden toestemming om met oranje shirts te spelen.’

De ploeg was ingedeeld in de regionale competitie van clubs uit Parijs en omgeving. Zo speelde Heren 5 tegen onder meer tegen clubs met klinkende namen als Stade Saint-Germanois (SSG), Cercle Athlétique de Montrouge (CAM), Union Sportive Métropolitaine des Transports (US Metro).

Verschillende velden

Op honderd kilometer was de uitwedstrijd bij Orléans het verst. En het was nog best even zoeken naar het veld van de club. ‘Dat bevond zich ergens in een weiland, zonder clubhuis of kleedkamers. We moesten ons langs het veld omkleden.’

Arriëns: ‘Wat dat betreft was het iedere keer anders. De ene keer speelden we op een prachtige grasmat, de andere keer op een aftandse kunstgrasmat of zoals in Orléans in een soort weiland.’

Scheidsrechters

Op Île de Puteaux, een eiland in de Seine aan de westkant van Parijs, speelde Heren 5 zelfs een wedstrijd op een gravelveld. ‘Tegenstander LLPE had geen eigen veld en huurde op het eiland een veld. Alleen had de terreinbeheerder nog geen administratieve goedkeuring ontvangen voor onze wedstrijd. Na een paar telefoontjes werd er groen licht gegeven en konden na een half uur de lijnen worden gewit. De doelen stonden er al wel’, zegt Arriëns.

Spelers van Stade Français met familie na de 2-1 zege op Chartres. Op de achtergrond verkleden de spelers van Chartres zich voor de terugreis. Foto: Collectie Jaap Arriëns

Maar er diende zich het volgende probleem aan. Er moest voor de wedstrijd een tweede scheidsrechter worden gezocht. De ploegen waren namelijk zelf verantwoordelijk voor het leveren van de scheidsrechters.

Fluiten

‘We vonden iemand van een ander team, dat een wedstrijd na de onze had, bereid om te fluiten. Na een uur oponthoud konden we eindelijk beginnen, maar na een minuut of twintig blies die scheidsrechter op zijn fluit. Hij zei dat hij er vandoor ging, omdat hij zelf moest spelen. We hebben hem bedankt en toen ben ik gaan fluiten zodat we verder konden spelen.’

Druiven plukken op de wijngaard van de Franse keeper Denis in de Bourgogne. Foto: Collectie Jaap Arriëns

Na afloop van de wedstrijden genoten de Nederlanders van een biertje, zoals ze dat ook in Nederland gewend waren. ‘Bij thuis- en uitwedstrijden namen we altijd een kratje bier mee. Dit aspect van de hockeycultuur kenden de Fransen niet. Zij gingen meteen na afloop van de wedstrijd naar huis voor de lunch. We probeerden hen te overtuigen dat het gezellig was om na afloop iets te drinken. Soms namen spelers van andere teams een dicht flesje uit de krat mee naar huis, maar nadat een van onze spelers besloot alle flesjes te openen leidde dat er uiteindelijk toe dat ze na de wedstrijd ook even bleven’, zegt Arriëns.

Uit elkaar

Na drie seizoenen viel het Nederlandse team van Stade Français uit elkaar. ‘Boudewijn had geen zin meer om het allemaal te regelen en ik ging terug naar Nederland. Ik ben daarna ook nooit meer bij Stade Français geweest. De vaste kern van het team heeft af en toe nog contact met elkaar, maar of het ooit tot een reünie komt, dat weet ik niet.’

Lees ook:


1 Reactie

  1. vb14

    Ik heb ooit een 3e helft willen organiseren, waarbij ze direct van de wedstrijd naar de bar moesten: dat doen ze niet, eerst douchen! Stade Français heeft nu trouwens Vaucresson als thuisbasis, niet meer St Cloud. Kleedkamers waren tot recent nog steeds een probleem (in soort van containers).


Wat vind jij? Praat mee...