Hockeyverhalen: trainingsstages, grappen, grollen en stappen

In ‘Hockeyverhalen’ anekdotes van redacteur Sander Collewijn die o.a. bij Hurley Hoofdklasse speelde. Deze week over trainingsstages en kinderachtig gedrag.

Als de eerste teamgenoot een bommetje maakt in het zwembad van de Hollandse Club in Singapore, is de eerste schaamte overwonnen en is er nog maar een doel: de grootste mini-tsunami in het zwembad ooit veroorzaken, zodat er nauwelijks water overblijft. Jezelf verliezen onder peer pressure en de grenzen verleggen is de branie die hoort bij het fenomeen trainingsstage, waar trainen belangrijk is, maar met een hockeyteam het schoolreisjesgevoel snel de overhand neemt.

Als Kampong Heren 1 zijn we te gast bij de Hollandse Club in Singapore, maar we laten ons toch wat meeslepen in het kuddegedrag, en met ons opjuttende lawaai zorgen we ervoor dat in ieder geval iedereen in Singapore gehoord heeft dat er een Nederlands hockeyteam op bezoek was. En dat onder het genot van een Nederlandse bitterbal en een Heineken. We zijn niet voor niets bij landgenoten in de tropen, tijdens de decadentste trainingsstage ooit, waar een zeer bescheiden eigen bijdrage werd verwacht.

We voelen ons snel thuis bij de rood- en geelgebroekte upperclas van Singapore. We slapen in groepjes bij Nederlandse expats. Als het eerste groepje meldt dat hun gastgezin beschikt over een zwembad, kijkt niemand verrast. ‘Wij hebben ook een zwembad’, blijkt het standaard antwoord van iedere speler.

WK Hockey. het Bukit Jalil Hockeystadio. Foto: Koen Suyk

De bal uit het Bukit Jalil wokkelen, dat was de uitdaging

Nadat we het nationale hockeyteam van Singapore klop hebben gegeven met meer dan tien doelpunten, vertrekken we naar Kuala Lumpur. We kijken onze ogen uit en verbazen ons over de grootsheid van het Bukit Jalil stadion, dat op wat meewarig kijkende Maleisische schoonmakers helemaal leeg is. We trainen we in de ziedende hitte, een heteluchtoven die we nog nooit zo hebben gevoeld met hockey. Na elke training ademen we vrolijk de tropische lucht in en proberen we het onmogelijke te bereiken in dit stadion waar plek is voor 12.000 toeschouwers.

Het enige doel na de training is al snel de bal het stadion uit wokkelen. Dat blijkt een lastige opgave, nog moeilijker dan onze oefenwedstrijden winnen tegen Maleisië, waar we tot onze verrassing weinig kans tegen maken. Onze linksachter is de eerste die de bal honderden meters wegslingert, het stadion uit, op de klanken van ons applaus. Homerun. Onze trainingsstage naar Azië is als een jongensdroom.

Alleen de begeleiding hekelt het gebrek aan discipline. Of het nou de tropische hitte is, het schoolreisjesgevoel of de vermoeidheid: spelers komen vaak te laat bij het verzamelen. Daarom wordt er een boetepot ingevoerd. Iedereen die te laat komt, moet Maleisische ringgit doneren.

De maatregel blijkt averechts te werken. Het wordt de sport binnen het team om in het hotel – waar we nog met lauwerkransen werden ontvangen – elkaar te dwarsbomen bij de lift. Dat betekent liften vasthouden, liften blokkeren, om er maar voor te zorgen dat je teamgenoten te laat komen, zodat ze in de boetepot moeten storten.  Na een paar dagen complete chaos in het hotel wordt de regel weer teruggedraaid. Liften tegenhouden is ongeveer net zo volwassen als de hotelkamer binnenlopen van teamgenoten, ze vrolijk te begroeten om dan meteen op de wc te gaan zitten, zodat je zelf niet in je eigen stank hoeft te slapen. Het is een standaard ingrediënt van de trainingsstage.

Petronas Twin Towers. Foto: Koen Suyk

De laatste stapavond is net zo belangrijk als de oefenwedstrijd

Trainingsstages zijn voor hockeycoaches een natte droom. Een moment om de groep naar hun hand te zetten en te smeden tot een winnend collectief. Belangrijke thema’s kunnen eindelijk in rust worden uitgewerkt. De begeleiding kent de prioriteiten: rusten, samen ontbijten, rusten, hockeyen, rusten, lunch, rusten, hockeyen, rusten, teambespreking, oefenwedstrijd en rusten. Vooral veel rust dus.

Voor de spelers liggen de prioriteiten weer anders. Voor de spelers is de trainingsstage een soort schoolreisje, een week waarin de verhoudingen en de hiërarchie weer eens bevestigd worden. Een  waarin de stad verkennen en de laatste stapavond net zo belangrijk zijn als een oefenwedstrijd.

                                                  (Barcelona)

In Barcelona struinen we met Hurley Heren 1 over het strand, waar de nachtclubs Opium, Shoko en de Carpe Diem Lounge Club, de CDLC, de oude club van voormalig voetballer Patrick Kluivert, zich bevinden. De aantrekkingskracht van die clubs is enorm. Door de week zijn ze vaak druk en gevuld met Scandinavische toeristen. Als mijn roomie Reinier en ik besluiten om toch weer uit te gaan, in plaats van te rusten, is de fysiotherapeut woedend. Hij is er niet mee eens dat we weer gaan stappen in Barcelona. Op straat dreigt hij hardop. ‘Als jullie nu weer uitgaan en je morgen je hamstring scheurt, dan behandel ik je niet.’

We slikken even na deze woorden, maar laten ons niet weerhouden om onze bijna dagelijkse onze strooptocht door het nachtleven van Barcelona voort te zetten. Bijna alle clubs hebben we wel gezien deze week en het waren geen hockeyclubs. Vaak gaan we nog de stad in, na het pokertoernooitje dat we met de selectie spelen. Vaak zijn we ’s ochtends te laat voor het ontbijt en daarom moeten we vaak voor straf de tas met zo’n tweehonderd ballen naar het veld van Real Club de Polo slepen. Omdat ons hockey niet onder het clubbezoek lijdt, maken we ons nog geen zorgen om de misstappen.

Het strand van Barcelona met de CDLC club.

Toch blijkt het wangedrag op de laatste ochtend tot consequenties te leiden. Er volgen sancties voor spelers en de rest van het seizoen moet ik de ‘ballen doen’. Dit klinkt eenvoudig, maar heeft nogal wat consequenties. Dat betekent in de praktijk elke oefenwedstrijd en competitiewedstrijd de ballen verzorgen, en een zak met zeker zo’n twintig ballen naar elke wedstrijd meezeulen.

Als we een maand later op Union in Nijmegen het veld oplopen, om in te spelen, krijg ik een hartverzakking. De wedstrijd begint over een half uur, maar er zijn geen hockeyballen. Ik moet de tegenstander om hockeyballen bedelen, anders ga ik eraan. Als ik een paar ballen krijg toegeworpen, weet ik dat ik niet al te veel gezichtsverlies lijd.

                                                  (Rome)

In Rome clasht de begeleiding weer eens met de spelers. Voor veel jongens van Hurley is het bezoek aan de Eeuwige stad de eerste keer. Als we ’s ochtends moeten trainen en aan het einde van de middag, zijn er genoeg vrije uren te vullen in de middag. Iedereen snakt ernaar om de stad te verkennen, maar op het oude olympische complex van Rome moet gerust worden, vindt de begeleiding. Het conflict loopt zo hoog op, dat de looptrainer, die zich normaal buiten dit soort discussies houdt, zich hoogstpersoonlijk hard maakt voor rust.

Dat betekent wel wisselgeld voor onze vrijdagavond. Tegen de zin in van de begeleiding verkennen we vrijdagavond de uitgaanswijk Testaccio. De aanvoerder heeft zich aangesloten bij de groep dissidenten, dus veel tegenspraak valt er niet te verwachten.  Na een mooie avond in een club proberen we vanaf vier uur ’s ochtends een taxi aan te houden. Maar dat is met vijf man onmogelijk. Niemand wil vijf jongens meenemen, want het officiële maximum is vier personen. Wij als studenten willen en kunnen geen twee taxi’s betalen, dus is het wachten totdat er een betaalbaar alternatief komt.

Rome vanaf de Sint Pieter.

Keihard rennen om vijf uur ’s ochtends

Elke paar minuten rijdt een snorder langs: ’Fifty euro! Or…you wanna walk?’ waarna hij met zijn vingers het gebaar maakt van lopen. Na na een uur vergeefs zoeken binden we in. Er wordt achterin de auto nog wat bekokstoofd, maar het enige dat ik me kan herinneren, is dat ik hardhandig wakker wordt gemaakt uit mijn roes. ‘Sanny, rennen!’

We hebben ons bij een metrostation laten afzetten, waar ik keihard naar boven moet rennen,  zodat de taxichauffeur ons niet kan achterhalen. Ik vind het zelf behoorlijk spannend. Achter de bosjes van het station kijk ik naar beneden wat er gaat gebeuren. Na vijf minuten rijdt de taxi weg, het donker in van de Romeinse nacht. Vast en zeker witheet, en vloekend met Italiaanse handgebaren.

De dag erop is er officieel groen licht gegeven voor een stapavond, wat het stapgevoel beter maakt dan illegaal, tegen de zin van de begeleiding in, het vertier op te zoeken. Na wederom een schitterende avond in Testaccio (post-Covid19-aanrader), herhaalt zich de scène met de taxi’s. Na een half uur is het nog steeds moeilijker om iets betaalbars te vinden. Een teamgenoot spot die ene auto, en wij volgen snel. De snorder die wij keihard hebben opgelicht, is weer ritjes aan het verzamelen: ‘Or you wanna walk?’ Wij rennen een zijsteeg in en weten niet hoe hard we door moeten blijven rennen.

                                                    (Namen)

Het gesteggel over stappen, de stad verkennen of vooral veel trainen op een trainingsstage, is makkelijk te ondervangen door een teamtrip zonder hockeystick. Dan is de stage exclusief voor ‘teambuilding’ en kunnen de video-analyses ongebruikt in de laptop blijven renderen.

Teambuilding zonder hockeystick betekent fietsen en slapen in de grotten van Limburg, skiën in Saalbach of Val Thorens of een weekend mountbainkiken in het Belgische Namen in de Ardennen. Na een avond doortrekken in de lokale discotheek en twee uur slaap, gaan we mountainbiken. Grappig genoeg rijden dezelfde mensen de volgende ochtend in deze helse tocht vooraan, die ook in de wedstrijd het voortouw nemen. Ondanks vreselijke nadorst, betekent tegen elkaar mountainbiken een strijd op leven en dood.

Het hotel waar we slapen beschikt over een gigantische fontein. ’s Middags lopen mijn kamergenoot Peter en ik  door het stadje Namen en kopen we afwasmiddel. Om een uurtje of vier gooien we studentikoos twee flessen Dreft leeg in de weelderige fontein. Een kwartier lang zitten we onopvallend opgesteld te koekeloeren met dikke pretogen.

Er gebeurt helemaal niets. Nog niet één portie schuim is ons deel. We haken teleurgesteld af. Om acht uur verzamelen we om naar de pizzeria te gaan. Als ik de lobby uitloop, zie ik het al vanuit een ooghoek. De fontein is veranderd in een grote zeepbel, een sneeuwwit paleis van tien verdiepingen, drie keer zo hoog als het hotel zelf. Minutenlang staan we met tranen in onze ogen van het lachen te kijken naar ons meesterwerk, naar die kinderachtige grap die zo goed heeft uitgepakt.

Ik loop naar onze coach en zeg: ‘Dit is toch lachen?’. Hij zegt niets, keurt me geen blik waardig en loopt naar de pizzeria.

Lees ook andere hockeyverhalen

2 Reacties

  1. bouwman

    😅👍

  2. solo

    Haha zo herkenbaar😂 Hoe oude hoe minder volwassen🤣


Wat vind jij? Praat mee...