Hockeyverhalen: de stap van de junioren naar de senioren is levensgroot

In ‘Hockeyverhalen’ anekdotes van redacteur Sander Collewijn die o.a. bij Hurley Hoofdklasse speelde. Deze week over de succesvolle stap van de jeugd naar de senioren, die jaren kan duren. 

Toen ik mijn debuut in de Hoofdklasse maakte, na wekenlang te hebben gefungeerd als bankverwarmer en waterdrager, dacht ik dat ik definitief klaar was voor het grote werk. De zelfoverschatting gierde door mijn tienerlichaam. Elke wedstrijd had ik in mijn hoofd recht op speelminuten, die ik uiteindelijk niet maakte. De speeltuin die het jeugdhockey was, bleek helaas ingeleverd voor een nieuw soort hockey, dat bijna op werken leek, omdat het zo bloedserieus was: seniorenhockey.

Tulp Heren Hoofdklasse, Seizoen 2020-201. Venue: Wagener Stadion. Fergus Kavanagh feliciteert talent Valentijn Charbon. Foto: Bart Scheulderman

Ook het studentenleven hielp in het begin niet

Drie jaar na mijn debuut in de Hoofdklasse bij Kampong, stond ik voor het eerst in de basis, en mocht ik na de huddle aan de Laan van Maarschalkerweerd voor de verandering binnen de lijnen blijven staan. Dat het voor mij, flegmatieke rechtsbuiten, drie jaar duurde lag ook aan mezelf en andere prioriteiten, zoals een ontluikend studentenleven, met studentenvereniging.

Wat mijn lot niet verbeterde, was een backpackavontuur in Australië, waar ik na een half seizoen Heren 1 aan begon. Maar ik moest mezelf ontwikkelen, dat zou mijn hockey vast ook ten goede komen. Die ene hockeyclub in Melbourne die ik had gemaild, bleek over een goed team te beschikken met twee Australische internationals. Bij hockeyclub Altona kon ik een paar maanden in het eerste hockeyen.

De mentaliteit van de Australiërs is weergaloos. Foto: FIH/Grant Treeby

Te flegmatiek met de backhand harde passes aannemen

Aussies lijken op het hockeyveld mentaal lichtjaren verder. Ze klagen nooit, ze rammen, ze beuken, ze scoren, ze stellen geen vragen, ze doen gewoon. Daar stak ik wat van op. Het hele backpackavontuur was leerzaam. Ik werkte als schoonmaker, als boekverkoper langs de deuren, als keukensloof, als hulpje van het hostel waar ik al maanden verbleef; ik pakte alles aan. Vóór het backpackavontuur moest mijn Indonesische moeder bij het maken van haar rijsttafel een hamburger voor mij bakken, want deze verwende Indo lustte geen sambal. Toen ik een jaar lang op een klein budget me door heel Australië had geploeterd, at ik opeens alles. Alles, behalve Australische Vegemite.

Na de reis keerde ik voor mijn gevoel als een man terug, maar het bracht me tot mijn verdriet niet terug bij het eerste. Ik speelde te jeugdig, concludeerde de begeleiding. Toen de technische staf mij in het clubhuis het slechte nieuws brachten, illustreerden ze dat met een voorbeeld. Tijdens de oefenwedstrijd, kreeg ik een lange crosspass vanaf rechtsachter. Ik had een verdediger in mijn nek en dacht de bal handig met mijn backhand aan te kunnen nemen, om binnendoor te versnellen. De harde bal stuiterde van mijn stick. Dag balbezit, hallo balverlies.

Eerst snapte ik niet wat ze bedoelden. Ik had die bal toch prima kunnen aannemen met mijn backhand? Later begreep ik dat ik altijd met mijn forehand die bal had moeten aannemen. Flegmatiek met de backhand balletjes aannemen, terwijl je forehand voorhanden is, dat kan niet bij de senioren, waar balbezit bijkans heilig verklaard is.

Er waren echt wel dingen die ik wél kon, maar eigenlijk is het lijstje van hockeykwaliteiten die ik miste eindeloos.

Een van de grootste problemen waar ik tegenaan liep, was mijn gebrek aan talent, en lust, voor verdedigen. Ik had me er in de jeugd nooit mee bezig gehouden, ik stond elk weekend toch als rechtsvoor geposteerd. Ik deed die eerste seniorenjaren alles fout, wat je maar fout kon doen. Ik kon niet goed ‘channellen’ (het begeleiden van de tegenstander met je stick, zonder dom in te stappen, red.) en hakte er vooral op los, om de bal te veroveren, dit tot afgrijzen van mijn teamgenoten die het woord ‘begeleiden, begeleiden!’ en ‘niet instappen!  eeuwig bleven herhalen.

Druk zetten als meesterverdediger Marcel Balkestein (Oranje-Zwart) dat kan, is moeilijk.

Dacht dat alleen balbezit belangrijk was

Passlijnen dichtzetten of druk zetten op de verdediger kon ik niet, en interesseerde me in eerste instantie ook niet. Als de verdediger sloeg, sprong ik steevast de lucht in. Iets dat mij op een gegeven moment werd verboden, op straffe van een wissel. Zelfs toen gaf ik nauwelijks gehoor aan die oproep, omdat ik bang was dat de bal tegen mijn gezicht zou komen. Een bitje droeg ik ook al nooit, tot verdriet van mijn moeder, die er elk nieuw seizoen weer op hamerde.

Als talent begreep ik in eerste instantie weinig van de tactiek. De videobespreking kon ik altijd missen als kiespijn. Het begon me te duizelen bij al die verschillende posities en de looplijnen die ik moest onthouden. Het leek soms net alsof ik niet elke week op de hockeyclub zat, maar op school, bij een overhoring. Wat moest ik doen als we besloten om druk te zetten en ik de voorstopper ging aanlopen? Met een bochtje? De antwoorden op dat soort vragen schoten door mijn hoofd, bang dat ik was om op dat moment een beurt te krijgen.

De relevantie van het tactische spel dat seniorenhockey heet, was niet helemaal tot me doorgedrongen, waardoor ik het ook niet serieus nam. Terwijl het goed functioneren in een press het verschil betekent tussen veel of weinig speelminuten maken. Diep van binnen dacht ik toen dat alleen balbezit belangrijk was.

Dat ik met de allerlichtste hockeystick speelde, een luciferhoutje, hielp mij ook niet. Pielen en de bal honderd keer op en neer halen binnen een minuut was met die veredelde zaalstick geen probleem. Stoppen en slaan wel. Ik sloeg geen deuk in een pakje boter met dat pielstickje. Toen kon je me honderd keer vanaf kop cirkel op goal laten slaan. 99 keer werd het toch geen doelpunt. Terwijl rendement, zoals een goal maken, in de senioren veel belangrijker was dan een actie die in schoonheid strandde.

Hockeystick met bal tijdens de DOD (DistrictOntmoetingesDag) jeugdhockey. Koen Suyk

Geen scheenbeschermers, geen bitje

De fysiotherapeut vertelde bij de vettest dat ik nog zeker vijf kilo moest aankomen. Tien jaar oudere verdedigers duwden mij gewoon uit de cirkel, brachten me makkelijk aan het wankelen in een duel met een schouderduwtje, waardoor ik soms extreem makkelijk te verdedigen was.

Ik was zo groen als gras, dat ik, omdat ik ze niet lekker vond zitten, scheenbeschermers vaak niet omdeed. Dit heb ik maanden volgehouden, totdat de coach van het eerste naar me toe kwam om te vertellen dat dit echt niet meer kon, omdat ik door de routiniers levend werd gevild. Hij had groot gelijk.

Nog lastiger was het om mijn eigen natuurlijke drang te beteugelen. Of je me nou rond de eigen 23-meter, middenlijn of aanvallende 23-meterlijn een bal gaf, mijn eerste instinct is en was naar voren de bal aannemen. Leuk en spectaculair bij de A’tjes, dodelijk bij de senioren. Het gebied tussen eigen 23-meter en de middenlijn was niet het domein van een spetterende voorwaartse aanname, ook al was ik mijn verdediger kwijt in mijn eerste actie. Dan werd ik daarna alsnog snel ‘gedubbeld’ – gesandwicht is hier ook een prima woord.

Waar ik in de jeugd permanent het gaspedaal mocht intrappen, moest ik opeens ltemporiseren. Langzaam daalde het besef in dat ik op veel plekken in het veld vooral nuttige overtredingen moest halen voor het team, in plaats van een actie aangaan. Een shootje, afhouden, dat werd vaak – zeker vóór de eigen middenlijn – opeens de belangrijkste taak.

Solide en slim hockeyen.

Dat klinkt makkelijk, maar is in wezen een proces dat nooit voorbij is. Als je intuïtie, gevoed door de ervaringen in het jeugdhockey, je influistert dat je een bal naar voren moet aannemen, dan is het lastig om die intuïtieve en speelse neiging, de kop in te drukken.

Coachbord tijdens de competitiewedstrijd tussen de heren van Amsterdam en Den Bosch (6-3). Foto: Koen Suyk

Volwassen hockeyen: veel meer nadenken dan in de jeugd

Daar waar jeugdige onbevangenheid niet meer voldoende is om te presteren, begint het seniorenhockey. Op elke positie op het veld was het zaak om continu te scannen en de situatie in te schatten.

Er waren weken, waar ik zelfs in de training geen actie aan durfde te gaan. Dan was ik zo bleu, dat ik elke bal die ik kreeg, heel getelefoneerd terugpasste. Zo bang was ik geworden voor balverlies en de tirade die erop volgde van mijn oudere teamgenoten. Zo leerde ik met vallen en opstaan de kunst van het doseren. Soms gaan, maar dan ook overtuigend gáán met alles wat ik in me had, en nog vaker vertragen. Ratio combineren met intuïtie. Dit samensmelten tot fluïde hockey, waar alles in balans is.

Dit ‘volwassen hockey’ gold ook voor het aanvallende 23-metergebied en de cirkel. Want kansen en cirkelpenetraties zijn schaars in de Hoofdklasse. Waar je in de jeugd tien keer de cirkel binnenliep en ermee wegkwam dat je één keer scoorde en een cornertje haalde, was een kans of een cirkelpenetratie bij de senioren heilig. Daar moest je zorgvuldig mee omgaan. Dat was nogal wennen. Over het goal schieten, naast schieten, het mag allemaal, maar niet te vaak.

Vijf keer via de achterlijn de cirkel binnenkomen en dan vijf keer een actie in schoonheid laten stranden, dat mag in Jongens B1 en A1. Maar niet in de Hoofdklasse. Dan moet die bal op een voet. Dan moet er een kans volgen. Het bestaat niet dat je de bal in de cirkel hebt en dat je er te weinig uithaalt, of erger nog, dat je een dribbel begint, die leidt tot een megacounter van de tegenstander.

Ook mentaal werd ik getest. Ik twijfelde door weinig speelminuten over mezelf en mijn hockeykwaliteiten. Maar ik moest in die minuten die me gegeven werden per wedstrijd, laten zien dat ik meer verdiende. Niets is gratis in de Hoofdklasse. Speelminuten niet, en een basisplaats al helemaal niet.

Kampong-HGC.

Spelen met Heren 2 en meetrainen met Heren 1 is goede combinatie

Wat hielp om uiteindelijk de stap te maken, was een geweldig Heren 2. Het tweede was een heerlijk team, een goede mix van jonge en oudere spelers, waar ik als talent in een warm bad belandde. Het plezier dat ik had bij Heren 2, zorgde ervoor dat ik de trainingen bij Heren 1 – zonder daar te spelen – makkelijk volhield.

Ondertussen werd ik gebeld door een overgangsklasseclub en een hoofdklasseclub in Noord-Holland, wat aantrekkelijk was omdat ik zelf onderhand naar Amsterdam was verhuisd. Maar ik wilde eerst bij Kampong de basis van het eerste halen. Uiteindelijk speelde ik anderhalf jaar in Heren 2, voordat ik terugkeerde in Heren 1 en in de basis stond.

Drie jaar na mijn debuut.

Wat goed is komt snel, zeggen ze. In het geval van een supertalent als international Jorrit Croon, zelfs pijlsnel. Alles wat daarachter komt heeft wat tijd nodig. Of in mijn geval, heel veel tijd.

Lees ook andere hockeyverhalen

 


6 Reacties

  1. wil-dielis

    Weer een (h)eerlijk pennetje!

  2. jonathan

    Inderdaad. Zón smeuïg verhaal, doorspekt met humoristische zelfkennis is heerlijk om te lezen. Fijn om een hockey weekend mee te beginnen.

  3. RickdeVries

    Leuk verhaal weer, maar misschien ook leuk om een keer iemand anders een soortgelijk verhaal te laten vertellen. Wordt nu langzamerhand een beetje ‘Lief dagboek, ........’

  4. goud

    Voor velen herkenbaar en leuk!

  5. solo

    Heerlijk verhaal weer👍

  6. Gastig

    (H)eerlijk verhaal. Mooi leesvoer ook voor spelers, ouders en clubbestuurders met overspannen verwachtingen. Alleen de extreme toppers staan met hun 17e in het 1e of zelfs in het Nederlands Elftal.


Wat vind jij? Praat mee...