Topcoach Masterclass: Tien regels van Verboom voor een goede training

In de serie ‘Topcoach Masterclass’ delen topcoaches hun lessen. Deze week Eric Verboom (50), coach van Den Bosch en assistent bij de mannen van Duitsland. Hij heeft tien regels gemaakt voor een goed lopende en leerzame training.

Regel 1: De trainer straalt enthousiasme uit.

Verboom: ‘De training moet een belevenis zijn! Je gaat naar de hockeyclub en moet benieuwd zijn wat de trainer nu weer op het programma heeft staan. Na afloop moeten je spelers zeggen: dat was leuk. Draai dus niet elke keer dezelfde training af.’

‘Deze regel betekent vooral een trainer zien die er zin in heeft. Een actieve trainer die fluit en aanmoedigt. Dat ziet er anders uit dan iemand die in zijn spijkerbroek een beetje rond sloft. Dat zie ik ook gebeuren. Soms hoor ik trainers zeggen: mijn groep was niet vooruit te branden. Maar dat begint bij de trainer. Jij beïnvloedt die groep. Als je het veld oploopt, bezig bent met je mobiel en zegt: begin alvast met inlopen. Dan ben je er niet voor de spelers!’

Regel 2: De warming-up is met bal en stick en moet een lerend effect hebben.

‘Rondjes laten lopen is zonde van de tijd. De warming-up kan met bal en stick, ook met Heren 1 van Den Bosch doe ik dat vaak (zie bovenstaande video). Met hockeystick en bal balanceren, klimmen, overlopertje, hooghouden, tikspelletjes. Je moet creatief zijn. Het liefst heeft de warming-up al een raakvlak met het thema van de training.’

Regel 3: De oefeningen starten individueel. Vervolgens kleine aantallen. Dan pas grotere groepen.

‘Dit is zo belangrijk, zeker met jonge kinderen. Als jij meteen begint met een oefening voor zes personen, als ze pas acht jaar oud zijn, is er ruimte voor ruis. Alle kindjes moeten hun eigen bal hebben. Je geeft ze vijf minuten diverse dribbel-opdrachtjes en laat ze 1 op 1 met de bal bezig zijn. Dan krijg je concentratie. Daarna maak je de aantallen tijdens de training langzaam groter. Van een eental, naar een tweetal. Etcetera.’

Regel 4: Het aantal balcontacten moet heel hoog zijn. Hoe meer ballen spelers raken, hoe hoger het leereffect.

‘Als je als hockeyer 100 ballen raakt, is dat een hele andere training dan dat je 250 ballen raakt. Spelers moeten veel ballen raken. Maak geen rijtjes. Kijk naar je materiaal. Heb je 30 ballen, of 150 ballen? Dat is het verschil tussen zes keer of twee keer ballen rapen. Waar eindigt je oefening? Zorg voor buizen op het veld, zodat de ballen niet elke keer naar de andere kant van het veld gaan. Probeer zo effectief mogelijk de training uit te zetten met pionnen. Denk na over waar je begint met de ballen en waar je ze verzamelt. Als rijtjes lang worden moet je een ander doordraaisysteem gebruiken of maak je het circuitje langer.’

Regel 5: In de training moeten altijd keuzes voorkomen. Spelers moeten reageren op wat er ontstaat en zelf een keuze leren maken.

‘Als een speler van pion A naar B rent en verplicht naar pion C moet spelen, dan is dat geen kunst. Die oefening kan heel lekker lopen, maar ik heb als trainer al bepaald, waar die speler heen moet passen. Terwijl je hockeyers wil uitdagen om zelf na te denken. De oefening moet lerend zijn en je moet het niet allemaal uitleggen.’

‘De beste oefenstof is het partijtje, omdat spelers constant worden geconfronteerd met andere en nieuwe elementen. Vanuit het partijtje kun je terug redeneren als trainer. Stel, je wilt dat je spelers beter aansluiten als je aanvalt. Dan voer je de regel in, dat een doelpunt alleen telt als alle spelers over de middenlijn zijn.’

‘Er zijn zoveel leuke dingen die je kunt doen met de regels van een partijtje. ‘Je mag niet tegen elkaar praten’, is een leuke. Dan leren mensen goed om zich heen kijken. Dat stimuleert de communicatie. Ik voeg als trainer vaak chaos toe, zodat de spelers met een nieuwe oplossing moeten komen. Ik roep de naam van een speler, zodat die er even uit moet. Of ik voeg iemand onverwacht toe. Als je een 3 tegen 2 oefent, kun je een aanvaller of verdediger toevoegen, zodat je spelers elke keer leren met een nieuwe situatie om te gaan.’

Regel 6: Zorg voor intensieve periodes, met drinkpauzes tussendoor. De arbeid/rustverhouding moet altijd in balans zijn.

‘Als ik twintig minuten heb, dan speel ik liever 5 x 4 minuten dan 2 x 10 minuten. Geen 2 x 6, maar liever 4 x 3. Intensief drie minuten knallen. Pauze, en dan weer verder. Bij Den Bosch hebben we op zondag een wisselschema met shifts van acht minuten. Dus als we een grote partij spelen, 7 tegen 7 op een driekwart veld, houd je rekening met die intervals. Als spelers stoppen met give and go’s en gaan cruisen tijdens het partijtje omdat ze het anders niet volhouden duurt het te lang en daalt het handelingsniveau. Een ander belangrijk punt: ik heb de hockeyballen in mijn hand en rol ze erin. Of ik nou de mini’s van Den Bosch train, of Heren 1.’

Eric Verboom met de hockeyballen in de hand. Hier tijdens de voorbereiding van de Duitsland-Maleisië op het WK in Bhubaneswar 2018. Foto: Koen Suyk

Regel 7: Zorg voor variatie in oefenstof. Een kleine verandering doet al wonderen.

‘Doe onverwachte dingen bij oefeningen, zodat ze net iets anders worden. Ik doe veel oefeningen richting het doel. 1 tegen 1. Aanval tegen verdediger. Als dat duel klaar is, komen er twee spelers bij en wordt het 2 tegen 2. Dan 3 tegen 3. Dan gooi ik er nog een verdediger bij, zodat de aanval in ondertal staat. En altijd bij omschakelmomenten!’

Regel 8: Elke training heeft een duidelijk doel. Dit communiceer je ook als trainer.

‘Je hebt natuurlijk een jaarplanning en plannen voor de week. Voor een training vertel je wat je gaat doen. Bij Den Bosch is de dinsdag altijd erg op het individu ingericht. Spitsen doen scoringstechnieken en aannames. Verdedigers doen bijvoorbeeld duels en passing. Zo bouw ik door de week langzaam verder naar de vrijdagtraining, die tactischer is. Het is nogal een verschil of je op zondag tegen Bloemendaal moet spelen of tegen een team dat tegen degradatie hockeyt. Tegen Bloemendaal oefen je op duels op snelheid verdedigen. Tegen teams die ingezakt staan, probeer je de nadruk te leggen op een hoog baltempo. Er moet in ieder geval altijd een gedachte achter de training zitten.’

‘Toen ik zes jaar geleden bij Den Bosch begon, zijn we gestart met twee press-systemen. Nu spelen we er zes. We kunnen ook steeds gevarieerder opbouwen, in plaats van dat Austin Smith (de Zuid-Afrikaanse verdediger, red.) altijd maar opbouwt. Je moet als trainer een aantal vaste thema’s uitkiezen en die trainen. Dat kan de ene week de nadruk op balbezit zijn en de andere week een thema als je de bal niet hebt.’

Oefenmaterialen training vrouwen Amsterdam. Cecilia Rognoni assistent coach. Foto: Rene van Dam/Orange Pictures

Regel 9: Coach op wat goed gaat. Creëer succesbeleving.

‘Coach op wat goed gaat en kijk daarbij naar het thema en het onderwerp. Als je diepgang traint, ga je niet negatief coachen, als iemand een bal niet stopt. Coachen mag nooit overdreven negatief zijn. Het moet eerlijk zijn, dat is belangrijk. Als het goed is, is het goed. Als het niet goed is, dan is het niet goed. Dat is eerlijke feedback, waarbij je focust op een positief vervolg.’

Regel 10: Een training dient te eindigen in spelvorm, waar gescoord kan worden en iedereen betrokken is.

‘Ga niet snel even nog een partijtje doen, omdat het erbij hoort. Probeer een goed georganiseerde partij te spelen, waarin spelers kunnen oefenen wat je ze eerder die training en die week hebt aangereikt. Een partij is een serieus onderdeel van de training.’

‘Er zijn heel veel variabelen voor een partij. Je kunt de eerste twee spelhelften op een kort en breed veld spelen, om de balcirculatie te bevorderen. De derde en vierde helft kun je op een lang en smal veld doen, als je nog meer diepgang wil trainen. Het formaat speelveld is dus belangrijk. Je partij moet ook aansluiten op het thema. Als je thema 1 op 1 verdedigen is, moet je geen drie keer raken doen tijdens de partij. Als je thema ‘pre-scannen’ is, kun je wel drie keer raken doen, omdat je goed van tevoren leert kijken waar je staat.’

Eric Verboom coacht in de rust van Den Bosch-Kampong. Foto: Worldsportpics/Frank Uijlenbroek

‘Ik train nu 36 jaar hockeyteams. Ik begon er mee toen ik veertien was. Dan raak je bedreven om spontaan nieuwe elementen te verzinnen qua oefenstof. Zo wilden we onze selfpass verbeteren. Nu komen er dan acht autobanden op het veld. Als je de autoband raakt met de bal, heb je opnieuw een selfpass en moet de tegenstander weer op vijf meter gaan staan. Ik heb op de VU in Amsterdam een studie motorisch leren gedaan. Daar heb ik veel aan gehad. Daarom ken ik goed het verschil tussen impliciet leren en expliciet leren. Impliciet is dat je een oefening maakt, waarbij hockeyers spelenderwijs iets trainen. Expliciet leren is dat je alles helemaal gaat uitleggen, hoe iets moet. In principe probeer je een oefening zelf zo lerend mogelijk te maken.’

Coronaregels: probeer de spelers uit te dagen.

‘Ook met het coronavirus wil je de spelers, ondanks de anderhalve meter afstand, blijven verrassen. Zorg dat ze keuzes moeten blijven maken. Laat spelers reageren op commando’s. Verzin wedstrijdvormen zonder dat het partijtje is. Zet een slalom links en rechts uit en laat spelers tegen elkaar strijden.’

Lees ook andere masterclasses


6 Reacties

  1. jobe

    Nederlands beste trainer die alleen maar dat etiketje opgeplakt krijgt. Hij heeft zich als coach ondertussen ook fantastisch ontwikkeld en is momenteel absoluut klaar voor het grote werk. Doodzonde dat hij ooit gewipt is bij Jong Oranje. Zo niet fraai en onterecht. Duitsland en België profiteren van Nederlandse top!

  2. HCMenzino

    heel leerzaam

  3. solo

    Heerlijk om te lezen, hockey kan zo leuk zijn👍

  4. Hans-PietervanBeek

    Tof artikel, concrete punten om eenvoudig de training te verbeteren. Helemaal met de huidige regels worden trainers uitgedaagd. De huidige 1,5M regels geven veel restricties, gelukkig zijn er ook voordelen te vinden de huidige situatie die te gebruiken zijn; - meer ruimte (vaak heel veld per team) - meer ballen beschikbaar - geen "druk" van "fanatieke" kijkende ouders

  5. rudi

    prima artikel. Dit moeten jullie vaker doen. Ook goede reactie van velen, en daar wil ik jobe even uitlichten. Hij raakt daar naar mijn inziens een gevoelige snaar: De ‘trainers’ carousel bij de KNHB. Oftewel het topsport beleid en de leiders (of lijders?) Of hij Nederlands beste trainer is? Ach dat is relatief. Maar dat hij goed is heeft hij allang bewezen!

  6. twankoks@hotmail.com

    Top!


Wat vind jij? Praat mee...