Verdwenen hockeyers: Pepijn Keppel durfde niet uit de kast te komen

In de serie ‘Verdwenen hockeyers’ geven talenten uit het verleden antwoord op de vraag waar ze gebleven zijn. In deze aflevering Pepijn Keppel (24), die op zijn vijftiende vice-aanvoerder van Nederlands Jongens B was, dat Europees kampioen werd. De combinatie van selectiestress en zijn worsteling met zijn geaardheid werd hem uiteindelijk teveel.

‘In de auto op weg naar de training van Nederlands was mijn spierspanning soms al zó hoog, dat je kon uittekenen wat er ging gebeuren. Op het veld kreeg ik dan last van kramp. Kramp in mijn kuiten. Dat gebeurde wel vaker. Ik was jong en fit, daaraan kon het niet liggen. Het kwam puur door de stress. Ik was doodsbang dat ik een slechte pass gaf en de selectie niet zou halen.’

Trainen met de allerbeste spelers van je leeftijdscategorie zou voor iedere hockeyer een feest moeten zijn. Voor Keppel was het een marteling.

Achteraf gezien was het misschien ook een oneerlijke wedstrijd die hij tegen zijn teamgenoten – of moeten we zeggen: zijn concurrenten – in de nationale jeugdelftallen speelde. Naast de onzekerheid die de selectiemomenten met zich meebracht, iets waarmee natuurlijk meer talenten op jonge leeftijd kampen, worstelde Keppel met een ander probleem: de vraag of hij op mannen of vrouwen valt. ‘Ik wil mijn geaardheid niet de schuld geven dat ik de top niet gehaald heb. Maar ik denk wel dat ik door de worsteling ermee lastiger heb gehad dan andere jongens. Ik had het gevoel dat ik met 1-0 achter stond. Daar had ik iets tegen kunnen doen, bijvoorbeeld door harder te werken, maar dat deed ik niet. Ik liet juist mijn kop hangen.’

In actie op de Volvo 4-Nations in Nederland Jongens B. Foto: Koen Suyk

Hij raakte gevangen in het selectiesysteem

Toen Keppel begon met hockeyen bij Xenios, was hij zes jaar. Het ging toen nog puur om het maken van plezier. Vanaf het moment dat hij als B-junior van Hurley ging meetrainen met Heren 1, werd hij steeds meer een wereld ingezogen waarin het vooral om presteren draait. Hij raakte gevangen in het selectiesysteem.

In Nederlands Jongens A nam Keppel een belangrijke beslissing. Hij vertelde bondscoach Bas Bruin dat hij niet meer opgeroepen wenste te worden. Hij was hockeymoe, vertelde hij. Moe van alle stress. Met Bruin, die hij kende als technisch directeur van Hurley, ontbrak ook de klik, zegt hij nu. ‘Mijn keuze om Hurley in te ruilen voor Bloemendaal was bij hem niet goed gevallen. Bovendien had hij me buiten de selectie gelaten voor een toernooi met Nederlands A terwijl ik een paar maanden daarvoor nog vice-aanvoerder was van Nederlands B. Mentaal trok ik dat niet.’

Onderhuids speelde er meer. Worstelend was Keppel aan het ontdekken op welk geslacht hij valt. De vraag of dat zijn prestaties beïnvloed heeft, wat kan verklaren waarom Bruin hem buiten de selectie hield, vindt hij moeilijk te beantwoorden. ‘Ik vind het lastig om er met een helikoperview naar te kijken, maar als je je niet volledig op je sport kunt focussen, kan ik me voorstellen dat je minder goed presteert. Doordat ik zocht naar wie ik was, werd hockey ook steeds minder belangrijk voor me.’

Pepijn Keppel in 2011. Foto: Koen Suyk

Ik kreeg het gevoel dat mijn geaardheid weleens mijn zwakke punt kon zijn. Ik dacht: ik kan al niet goed slaan en dan ben ik óók nog homo.

Er was geen teamgenoot die Keppel in vertrouwen durfde te nemen. In plaats van dat hij zich bij de nationale jeugdselecties in een veilige omgeving waande, waarin hij alles kon vertellen wat hem aan het hart ging, zag hij zijn teamgenoten als concurrenten, die hij geen stok wilde geven om mee te slaan.

‘In het Nederlands team is het ieder voor zich. Zo werkt topsport nu eenmaal. Iemands zwakke punt gebruik je om te laten zien dat jij wel geselecteerd moet worden en de ander niet. Ik kreeg het gevoel dat mijn geaardheid weleens mijn zwakke punt kon zijn. Ik dacht: ik kan al niet goed slaan en dan ben ik óók nog homo. Het voelde als iets waarmee je me pijn kon doen. Niemand wist het, het was mijn geheim. Ik was bang dat ik gepest of uitgescholden zou worden.’

Zijn geaardheid was natuurlijk niet zijn zwakke plek, weet Keppel nu. Zijn zwakke plek was dat hij zich te onzeker voelde om zich te uiten zoals hij was.

In actie met Nederlands Jongens B.

Als ik hoorde dat er langs de lijn ‘homo’ geroepen werd, voelde ik me meteen aangevallen. Hier kan ik niet uit de kast komen, dacht ik dan.

‘Achteraf zou ik tegen mezelf willen zeggen dat ik het gewoon had moeten vertellen. De angst die ik had, was nergens voor nodig. Aan de hand van de positieve reacties die ik later heb gekregen, heb ik geconcludeerd dat ik prima eerder uit de kast kunnen komen. Maar tóén voelde het niet zo.’

‘Misschien dat het aan mijzelf lag, maar ik bevond me ook in een wereld waarin het lastig was om het te vertellen. Als ik hoorde dat er langs de lijn ‘homo’ geroepen werd, voelde ik me meteen aangevallen. Hier kan ik het dus niet zeggen, dacht ik dan. Ik verwijt de hockeywereld niets. De hockeywereld is niet anders dan de rest van de sportwereld. Maar nu ik in de journalistiek werk, weet ik dat het ook anders kan. Als ik mezelf toen had omgeven in een wereld waarin ik nu zit – de journalistieke wereld dus, waarin alle geloofs- en achtergrondovertuigingen worden gerespecteerd en geaccepteerd – dan had ik het waarschijnlijk sneller gezegd.’

Op de bank naast hockeylegende Teun de Nooijer.

Ik dacht dat ik het wel zou redden bij Bloemendaal. Nou, dat was dus niet zo. Teun de Nooijer liet me alle hoeken van het veld zien.

Het duurde tot zijn achttiende tot Keppel uit de kast durfde te komen. Dat was in zijn eerste jaar in de senioren, toen hij voor Bloemendaal speelde. Langzaamaan was zijn olympische droom al vervaagd. Hij was voor Jong Oranje geselecteerd, maar ook weer afgevallen. Bij Bloemendaal trainde hij mee met Heren 1, maar speelde hij in Heren 2.

‘Vaak denken A’tjes dat ze het in de senioren wel even laten zien. Omdat ze altijd de besten van hun leeftijd zijn geweest. Ik dacht ook dat ik het wel zou redden. Nou, dat was dus niet zo. Teun de Nooijer liet me alle hoeken van het veld zien. Wouter Jolie flatste ballen zó hard in mijn stick dat ze alle kanten op ketsten.’

Aan het eind van zijn eerste seizoen in de senioren was Keppel door Bloemendaal beloofd, zegt hij, dat hij zou worden opgeroepen voor de EHL, dat op ’t Kopje werd gespeeld. Omdat de spelerslijst van de EHL niet uit twintig, maar 22 man mocht bestaan, kwam er een plekje voor hem vrij. ‘Vanwege financiële redenen besloot Bloemendaal uiteindelijk toch om niet met 22 man mee te doen. Ze gingen met z’n allen intern in een hotel zitten. Dat werd te duur, dus ik had pech. Tja, toen was ik er wel klaar mee.’

Door coach Russell Garcia liet Keppel zich verleiden toch nog een jaar bij Bloemendaal te blijven. Daarin speelde hij opnieuw niet in Heren 1. André Morees, zijn jeugdcoach bij Bloemendaal, werd ondertussen hoofdcoach van Xenios Heren 1 en vroeg Keppel of hij terug wilde keren naar zijn oude club. Dat deed hij. Het was een definitief afscheid van tophockey.

Op de achtergrond Pepijn Keppel, tijdens een van de spaarzame momenten dat hij in Bloemendaal Heren 1 speelde. Aan de bal is oud-international Rogier Hofman.

Toen ik eindelijk de keuze had durven maken om te stoppen bij Nederlands Jongens A zeiden ze bij Bloemendaal tegen me: Is dat wel zo verstandig, nu krijgen wij een slechte naam bij de bond.

Terugblikkend op met name de stress van het selectiesysteem zegt Keppel: ‘Als kind ben je niet bewust van waar je in stapt. Je gaat op hockey omdat je het leuk vindt. Vervolgens kom je in het districtsteam en later in Nederlands. Dan vormt het je identiteit. Je krijgt een label dat voor de buitenwereld veel betekent. Als ik op een verjaardag kwam, was ik altijd Pepijn die in het Nederlands team speelde.

‘Afscheid nemen van die identiteit is lastig. Omdat ik zoveel last had van stress, was het achteraf gezien misschien beter geweest om eerder te stoppen met het Nederlands team. Die keuze durfde ik pas te maken toen ik zeventien, achttien jaar was. En toen ik het eindelijk deed, zeiden ze bij Bloemendaal tegen me: Is dat wel zo verstandig, nu krijgen wij een slechte naam bij de bond. Dat soort belangen spelen dus mee. Terwijl ik alleen maar dacht: hallo, het gaat er toch om dat ik hockey léúk blijf vinden?’

Dit seizoen speelt Keppel met Xenios in de Overgangsklasse. Hoewel hij de liefde voor het spel heeft teruggevonden, stopt hij er na dit jaar mee. Hij wil zich volledig focussen op zijn journalistieke loopbaan. Hij werkt bij NRC Handelsblad en gaat na de zomer aan de slag op de politieke redactie. ‘Dat ik afscheid neem van het hockey, voelt alsof ik afscheid neem van mijn jeugd. Het is de periode geweest die me verdriet heeft gedaan, maar ook die me gevormd heeft. Nu is het tijd voor de volgende stap in mijn leven. De tijd is aangebroken dat ik het hockey loslaat.’

Input voor deze serie? Mail naar redactie@hockey.nl.

Lees ook


13 Reacties

  1. alsjemenou

    Top jeugd spelers en hun ouders zouden meer moeten durven Nee te zeggen tegen selecties buiten de club. Als je zo goed bent ontwikkel je dan bij je eigen club of nieuwe club door meer tijd te besteden bij hogere teams in een vertrouwde en veilige omgeving. Volgens mij gaat plezier beter in hand met ontwikkeling en afbreukrisico. Die nationale selecties komen misschien wel een keer. En anders niet maar dan heb je er ook geen last van gehad.

  2. Van Dessau

    Volgens mij gaat het er meer om dat je in het mannenhockey niet durft uit te komen voor je geaardheid. En zeker als je jong bent is dat een ding. Van hoeveel jongens/mannen weten wij nu of ze niet hetro zijn. Anders dan bij de vrouwen, daar noemen we er zo een paar op die niet hetro zijn. De KNHB moet zich eens meer bezighouden met diversiteit in de sport.

  3. stekel

    Talent herkenning EN talentbegeleiding ook op mentaal vlak. Tis een zeldzaamheid in de hockeywereld. Meeste clubs onderkennen belang niet, bond heeft er überhaupt geen oog voor, muv H en D elftallen. Uiteraard zijn er uitzonderingen. Maar zeldzaam.

  4. Jolly

    Eens met Stekel. Definitie van "talent" wordt in NL te beperkt uitgelegd. In de jeugd is een talent een speler met een goed hockeytechniek. Een topspeler moet echter beschikken over veel meer vaardigheden dan een goede techniek. Ontbreekt het aan fysieke kracht en snelheid, dan zit de hoofdklasse er niet in. In deze serie zie je dat de reden van stoppen overwegens op het mentale vlak ligt. De omschakeling van "leuk" spelen in de jeugd naar "moeten" wat hoort bij topsport is niet gelukt. Ik denk dat deze spelers er goed aan hebben gedaan om te stoppen met topsport. De vraag is of deze spelers terecht als "talent" zijn aangemerkt, omdat zij dus op het mentale vlak niet over voldoende kwaliteiten beschikten. Dit is geen verwijt aan deze spelers en ik denk dat zij nu gelukkiger zijn. Ik hoop alleen dat zij het plezier in hockey niet definitief verloren hebben. Ik zou hopen dat de KNHB bij de selectie van NL B en A ook kijkt naar fysiek en mentale aspect, maar ik vrees het ergste. Hierdoor mis je de spelers die misschien op techniek iets minder scoren, maar mentaal en fysiek er bovenuit steken.

    1. stekel

      Eens Jolly.. maar kijk eens naar de gemiddelde coach op district elftal, Oranje B of A. Die hebben er geen kaas van gegeten, wordt niet op geselecteerd. Wie van de Coaches heeft er überhaupt oog voor. Wederom uitzonderingen, een Marieke Dijkstra is goed voorbeeld. Sturing vanuit KNHB of enige vorm van aandacht voor het ‘welzijn van jonge talenten..: tis er gewoon al jaren niet. Misschien is de huidige situatie een fantastische mogelijkheid voor de knhb eens wat inhoudelijk te reageren en te laten merken dat men begaan is met de leden. Dit artikel als mede eerdere onder deze noemer geven voldoende aanleiding

  5. Ron van Asperen

    Allereerst : wat dapper om je verhaal te vertellen ! Maar wat kunnen we als buitenwereld ( niet alleen in de hockeywereld !) doen om jongeren veilig uit de kast te laten komen ? En het lijkt voor meisjes net weer wat makkelijker te zijn dan voor jongens , of zie ik dat verkeerd? Ik zou ook willen dat ik het antwoord wist ......

  6. neco

    Ik vind het een mooi verhaal van Pepijn. Leuk dat hij nog steeds hockeyt. Hoeveel jongens stoppen er wel niet aan het eind van de jeugd omdat ze op wat voor manier dan ook anders zijn? Er is als club of bond maar zoveel dat je kunt doen. Als individu zou je soms willen dat je het allemaal nog eens over zou kunnen doen. Het is niet zo erg om homo te zijn zelfs niet in het hockey. Dankjewel Pepijn.

  7. frans-j

    Jammer dat zo’n talent verloren gaat mede door twijfel over z’n geaardheid. De vraag is hoe je dit op deze leeftijd vol onzekerheden ent twijfel kunt wegnemen. Mooi dat hij de journalistiek ingaat.wellicht dat hij met via zijn werk lotgenoten kan helpen en kan bijdragen aan een grotere acceptatie van homoseksualiteit onder de (top)sporters

  8. jonathan

    De triestheid dat je als club durft te zeggen" dan krijgen wij een slechte naam bij de bond"". Als speler, maar in de eerste plaats als mens,die zorgdraagt voor z'n eigen leven en geluk, ben JIJ het die een keuze maakt. Heel veel succes als journalist. Je bent een kanjer!!!

  9. knuufke

    Als dit geen topsportmentaliteit is, dan wil je toch geen topsporter zijn! Goede keuzes!

  10. haags-hopje

    Ik vind dit een mooie serie waarin zelfkritisch en zelfbewust door de spelers wordt teruggeblikt, terwijl ik de indruk heb dat het hijgerige selectieproces met pseudo belangrijke jeugd-bondstrainertjes nog steeds op volle toeren draait...

  11. winteraeken

    Prima reactie en geweldig dat dit artikel mogelijk betrokkenen ertoe kan leiden keuzes te maken! Ik ben heel blij dat ik in mijn periode als “bondstrainertje” nul kan delen in dat wat gesuggereerd wordt! Altijd en alleen maar gewerkt in belang van speler en zijn talent!

    1. arnoldS

      Maar geef toe; er wordt of beter gezegd werd in het verleden te weinig tot geen aandacht besteedt aan het mentale. Tegenwoordig zijn er veel meer studies naar en zie je het in het bedrijfsleven non stop. Zou goed zijn dat er op een breder vlak in de jeugd aandacht aanbesteed wordt


Wat vind jij? Praat mee...