EK Hockey goed volgen? Doe de minicursus spelregels

Om als toeschouwer of televisiekijker het EK Hockey goed te kunnen volgen, is het prettig dat je de regels een snapt.  Daarom hieronder een mini-cursus hockeyregels voor als je niet zo vaak (internationale) hockeywedstrijden volgt. Wil je alle regels precies weten, kijken dan op de pagina met spelregels. 

1. De self-pass

Misschien wel de beste uitvinding van het moderne hockey: de self-pass. Dat betekent dat je bij een inslag, uitslag of een vrije slag aan jou toegekend, zelf mag gaan lopen met de bal. De tegenstanders moeten bij jouw spelhervatting (trachten) zo snel mogelijk vijf meter afstand (te) nemen en mogen jou pas na het inzetten van jouw spelhervatting aanvallen vanaf die afstand.

2. Shoot en andere overtredingen

Hockeyers zijn geen voetballers. De bal mag dan ook niet aangeraakt worden door de voeten, alleen met de stick. En met de stick alleen met de platte kant, niet de bolle kant (dus niet zoals bij ijshockey aan beide kanten). Raak je de bal toch met je voet, dan is dat een overtreding die ‘shoot’ wordt genoemd. Wil je overkomen alsof je verstand hebt van hockey, dan roep je dit ook af en toe (‘shoot! Dat was shoot!’), wanneer je in een rommelige situatie meent te zien dat de bal een voet raakt.

Bij hockey zijn een stuk minder fysieke duels toegestaan dan bij voetbal.

  • ‘Afhouden’ is bijvoorbeeld verboden en duwen wordt – alhoewel de laatste jaren steeds minder – afgefloten.
  • Met je stick mag je alleen de bal te raken. Raak je de stick van je tegenstander dan heet dat ‘hakken’.
  • Nog twee overtredingen voor gevorderden voor wie echt als een kenner wil overkomen: ‘stick afhouden’ en ‘shadow’. Op televisie is het lastig waar te nemen, maar ‘stick afhouden’ is als een speler z’n stick zo voor de bal houdt, dat hij hem eigenlijk volledig afschermt, waardoor een speler van de tegenpartij er nooit bij kan.
  • ‘Shadow’ is een mooie naam voor indirect afhouden. ‘Shadow’ kan je dus alleen maken als je zelf niet de bal aan je stick hebt, maar door een loopactie een tegenstander ervan weerhoudt de bal te benaderen.

3. Strafcorner en strafbal

Bij een overtreding binnen de cirkel krijgt de aanvallende partij een strafcorner.Strafcorners worden ook toegekend voor opzettelijke overtredingen binnen het 23-metergebied. De verdedigende partij plaatst vier spelers en een keeper in het doel.  De bal wordt door de aanvallende partij aangespeeld vanaf het strafcornerstreepje naar de kop van de cirkel, waar hij vlak buiten de lijn door een speler wordt gestopt. De strafcornernemer doet, van binnen de cirkel, een doelpoging. Als een verdediger voor het nemen van de strafcorner over de doellijn komt is hij ‘te vroeg weg’ en fluit de scheidsrechter af. De verdediger moet als straf bij de andere ploeggenoten achter de middenlijn plaatsnemen.

Bij Nederland zijn onder anderen Caia van Maasakker en Mink van der Weerden de sleeppushspecialisten, maar ploegen hebben vaak een batterij aan strafcornervarianten.

Opzettelijke overtredingen binnen de eigen cirkel of als een zeker doelpunt wordt voorkomen, worden bestraft met een strafbal voor de aanvallende partij. Een strafbal is een één-op-één-situatie tussen een speler van de ene en de keeper van de andere partij. Een strafbal wordt vanaf de stip genomen en mag enkel in één keer worden gepusht. Er volgt geen rebound: de schutter krijgt één poging en daarna ligt het spel stil. Het is dan dus óf een doelpunt óf uitslaan voor de verdedigende partij.

4. Alleen goal als bal binnen de cirkel wordt aangeraakt

Het komt nog (te) vaak voor: de bal wordt door een aanvaller van buiten de cirkel in één keer in de goal geslagen en het publiek springt al juichend op de banken. Wil je geen flater slaan bij je hockeyminded vrienden, blijf nog even zitten. In het hockey is het niet mogelijk van buiten de cirkel te scoren: de bal moet altijd door de aanvallende partij worden aangeraakt in de cirkel, anders is het geen doelpunt.

5. Kaarten

Een scheidsrechter kan een speler die een overtreding maakt ook een persoonlijke straf opleggen. Dit kan gebeuren in de vorm van een verbale waarschuwing (‘vermaning’). Bij ernstigere overtredingen kan de scheidsrechter een kaart uitdelen. Er zijn drie soorten kaarten binnen hockey: groen (twee minuten tijdstraf), geel (minimaal vijf minuten, maximaal tien minuten tijdstraf) en rood (definitief van het veld). Een tweede groene kaart betekent geel en twee gele kaarten betekent rood.

 

Internationaal hockey

Voor internationaal hockey geldt een aantal andere regels dan in het afgelopen jaar in de Nederlandse competitie.

1. Vier keer 15 minuten speeltijd

De hockeyers spelen tijdens het EK per wedstrijd vier kwarten van 15 minuten. Tussen het tweede en het derde kwart zit een langere rustperiode. In die vier kwarten mogen de coaches, net als in de reguliere competitie trouwens, zoveel spelers wisselen als ze willen. Een selectie bestaat uit maximaal achttien spelers. Het spel wordt ook niet stilgelegd voor wissels: de spelers regelen dat gewoon zelf.

2. 40-seconden-regel

Nadat de scheidsrechter voor een doelpunt, strafbal of strafcorner heeft gefloten, kan je denken: waarom wachten ze nou toch met het nemen van de bal? Internationaal gezien geldt een 40-seconden-regel. Dat is de tijd die de spelers na het fluitje de tijd hebben zich klaar te maken voor de aanvallende en verdedigende strafcorner en de tijd die ze krijgen om te juichen en zich weer op te stellen. Soms zijn de spelers eerder klaar, maar moeten ze toch wachten tot de veertig seconden voorbij zijn.

3. De videoscheidsrechter

In het internationale hockey mogen teams een beslissing van de scheidsrechter aanvechten via de videoscheidsrechter, ook wel de videoref genoemd. Niet elke beslissing mag worden aangevochten; enkel beslissingen binnen het 23-metergebied gerelateerd aan het toekennen of afkeuren van een doelpunt, het toekennen of niet toekennen van een strafbal of strafcorner of het al dan niet het overnemen van een shoot-out. Voor het geven of niet geven van een persoonlijke straf (groene, gele of rode kaart) kan geen teamreferral worden aangevraagd. De scheidsrechter op het veld die de videoscheidsrechter gaat raadplegen stopt de tijd en gebruikt het “televisie-scherm” signaal gevolgd door een “T-signaal”. Vlak buiten het veld is de videoscheidsrechter opgesteld met schermen waarop de situatie vanuit verschillende camerahoeken kan worden bekeken. Hij adviseert de arbiters op het veld of de beslissing al dan niet moet worden gewijzigd.

Beide ploegen krijgen één teamreferral per wedstrijd. Als de videoscheidsrechter meegaat in hun aanvraag óf de video’s geen uitsluitsel bieden, blijft de referral staan. Gaat de videoscheidsrechter niet mee in de aanvraag, dan vervalt voor die ploeg de mogelijkheid van de videoref. Indien er shoot-outs moeten worden genomen, hebben beide teams opnieuw één mogelijkheid een referral bij de scheidsrechter op het veld aan te vragen.

Bij twijfel kunnen scheidsrechters op het veld ook zelf een vraag aan de videoscheidsrechter indien zij twijfelen over een beslissing. Dit heet een scheidsrechterreferral.

4. Shoot-outs

Shoot-outs moeten bij een gelijkspel vanaf de halve finales op het EK voor een beslissing zorgen. Een shoot-out is een één-op-één-duel tussen een speler en de keeper. De aanvaller start vanaf de 23-meterlijn en moet binnen acht seconden scoren. Zolang de bal in het spel blijft, zijn meerdere doelpogingen dus mogelijk. Beide ploegen krijgen vijf beurten om en om. Als het hierna gelijk is, krijgt ieder team om de beurt steeds één poging en geldt de sudden-death-regel. Een overtreding van de keeper leidt tot een strafbal. Een overtreding van de aanvaller betekent einde shoot-out.

Lees meer


2 Reacties

  1. MariusMeijers

    MariusMeijers

    Wat een slechte uitleg

  2. jdekempenaer@gmail.com

    jdekempenaer@gmail.com

    Hoezo zou er minder gefloten worden voor duwen ...?


Wat vind jij? Praat mee...