92 jaar geleden: olympische finale belangrijke mijlpaal voor Nederland

Het is vandaag 92 jaar geleden dat de Oranje Heren in Amsterdam olympisch zilver pakten. De finale in het Olympisch Stadion ging op 26 mei 1928 met 3-0 verloren tegen het oppermachtige Brits-Indië. De Spelen in eigen land waren een belangrijke mijlpaal in de Nederlandse hockeygeschiedenis. Na jaren van isolement presenteerde Nederland zich voor het eerst aan de internationale hockeywereld en zorgde de tweede plaats ervoor dat de populariteit van de sport in ons land toenam.

‘Zelfs de stoutmoedigste optimist zal niet een dergelijk succes voor ’t hockeytoernooi gedroomd hebben!’, schreef sportweekblad Sportkroniek in een terugblik op het zilveren succes van de Oranje Heren.

Gloriedag

Onduidelijk is hoeveel toeschouwers nu precies getuige zijn geweest van ‘de mooie en spannende finale’ die door het weekblad werd bestempeld tot ‘een gloriedag voor de Nederlandse sport, voor de Olympische Spelen in ’t bijzonder, maar bovenal voor de hockeysport’.

In de media liepen de cijfers uiteen van 25.000 tot 40.000 toeschouwers. Volgens het officiële gedenkboek van de negende olympiade in Amsterdam bevolkten op die zaterdag 26 mei 23.394 betalende toeschouwers het stadion.

De zilveren medaille van de Olympische Spelen van 1928 in Amsterdam

Toename populariteit

Het is een ongekend aantal voor hockey. Normaal gesproken waren zulke hoeveelheden belangstellenden alleen voorbehouden aan voetbalwedstrijden. Dankzij die tien olympische hockeydagen nam de populariteit van de sport enorm toe. In de jaren tot aan de Tweede Wereldoorlog schieten de nieuwe clubs als paddenstoelen uit de grond. Een verviervoudiging constateerde onderzoeksinstituut Huygens ING in die twaalf jaar ten opzichte van de periode vanaf de oprichting van de hockeybond in 1898 tot en met 1927.

Hockey leidde in ons land tot 1926 een marginaal bestaan en was daarom onbekend bij het grote publiek. Internationaal speelde Oranje geen rol, omdat er in Nederland met andere speelregels werd gespeeld dan in de rest van de wereld, waar over het algemeen de Engelse regels werd gehanteerd. In Nederland werd met een andere bal gespeeld, de sinaasappel, was er geen slagcirkel en had de stick twee platte kanten. Bovendien werd er in ons land gemengd gehockeyd.

Verschillende regels

Nadat een uitnodiging voor de Spelen van Antwerpen in 1920 werd afgewezen door de bond, wilde men voorkomen dat Oranje op het eigen olympisch toernooi zou ontbreken. Daarom moest Nederland overstappen op de Engelse regels. Na een experiment waarbij een wedstrijd werd gespeeld met deze regels hakte de hockeybond de knoop door: Nederland ging vanaf het seizoen 1926-1927 ook spelen volgens de internationale reglementen.

In de aanloop van de Olympische Spelen van 1928 was de kracht van de Nederlandse ploeg lastig in te schatten. Pas in 1926 debuteerde Oranje op internationaal niveau. Tot aan de Spelen speelde het nationale team slechts negen internationale wedstrijden. Het merendeel tegen België. Ook trof Oranje in die periode Engeland en Duitsland. Van de negen duels werden er vier gewonnen, vier verloren en één gelijkgespeeld.

De olympische finale van 1928 in Amsterdam tussen Brits-Indië en Nederland (3-0). Foto: Spaarnestad Archief

Deelnemers olympisch toernooi

Van die tegenstanders behoorden Duitsland en België ook tot het deelnemersveld van het olympisch hockeytoernooi. In totaal schreven tien landen zich in, maar Tsjechoslowakije trok zich terug, waardoor negen landen over twee groepen werden verdeeld. Nederland trof in de poulefase Frankrijk, Duitsland en Spanje. In de andere poule zaten huizenhoog favoriet Brits-Indië, België, Denemarken, Zwitserland en Oostenrijk. De winnaars van de poule plaatsten zich voor de finale, de nummers twee speelden om het brons.

Het Vaderland schreef in een voorbeschouwing: ‘Van Frankrijk en Spanje zal wellicht wel gewonnen kunnen worden en het gaat er dus maar om wat het Nederlands elftal tegen Duitsland zal doen. De Duitsers zelf zijn ook al niet bijster gerust op het resultaat van deze ontmoeting, ondanks het feit dat zij een tweetal goede overwinningen op Nederland hebben behaald. Brits-Indië, dat ons land reeds voldoende bewijzen van zijn superieur spel heeft gegeven, zal zonder moeite de eindstrijd bereiken.’

Uitblinken

De kracht van Brits-Indië werd een aantal weken voor de start van het olympisch toernooi duidelijk. In een oefenwedstrijd werd een versterkt Amsterdam met 15-2 verslagen. De ploeg blonk uit in snelheid, samenspel en balbehandeling.

Het toegangsbewijs voor het olympisch hockeytoernooi van 1928 met een foto van de Oranje Heren op de Spelen in Amsterdam. Deze zijn afkomstig uit de collectie van hockeyverzamelaar Nico Leeftink.

De absolute sterspeler was Dhyan Chand, bijgenaamd ‘The Wizard’ en ‘The Magician’. De majoor uit het Brits-Indisch leger beschikte over een uitmuntende balcontrole. De bal leek vastgeplakt aan zijn stick. Bovendien bezat Chand scorend vermogen. In 185 interlands scoorde hij een duizelingwekkend aantal van 570 doelpunten.

Grote cijfers

Chand was ook in de poulefase van het olympisch toernooi op schot. Liefst dertien keer trof hij doel. Met zevenmijlslaarzen walste Brits-Indië over de tegenstanders heen. Na een 6-0 zege op Oostenrijk werden België (9-0), Denemarken (5-0) en Zwitserland (6-0) met gemak aan de kant geschoven. De finale was bereikt.

Tegenstander om de gouden medaille was Nederland, dat het een stuk lastiger had in de andere poule. Na een 5-0 overwinning op Frankrijk bogen de Oranje Heren tegen Duitsland een achterstand om in een 2-1 zege. Hierdoor had Nederland in de laatste wedstrijd tegen Spanje genoeg aan een gelijkspel om het ticket voor de finale veilig te stellen.

Gelijkspel tegen Spanje

Hoewel de Spanjaarden al twee duels hadden verloren, had Oranje de handen vol aan de Zuid-Europeanen. Nederland kwam op 1-0, maar gaf die voorsprong in de slotfase uit handen. Ondanks ‘angstige ogenblikken bij de vele toeschouwers’, zo schreef Het Vaderland, trok Nederland het gelijkspel over de streep.

Opstellingen van Brits-Indië en Nederland voor de olympische finale van 1928 in Amsterdam.

Op zaterdag 26 mei 15.45 uur betraden de teams van Nederland en Brits-Indië het Olympisch Stadion voor de eindstrijd om de gouden medaille. Het zelfvertrouwen van de Oranje Heren was gedurende het toernooi gegroeid. Bovendien kampte Brits-Indië met een aantal zieken, onder wie Chand. De sterspeler was niet topfit, maar kon wel spelen.

Drie keer Chand

Nederland bood Brits-Indië goed partij. Weekblad Sportkroniek zag ‘driekwart van de tijd een gelijk opgaande wedstrijd’. Het was niet voldoende om voor een verrassing te zorgen. De zieke Chand drukte zijn stempel op het duel en leidde met drie doelpunten Brits-Indië eigenhandig naar de olympische titel (3-0), de eerste in een serie van zes op rij en acht in totaal.

De nederlaag van de Oranje Heren werd omschreven als eervol. Nederland had de Indiërs ‘op waarlijk schitterende wijze partij gegeven’, schreef Sportkroniek. Het was de kleinste overwinning van Brits-Indië op dit toernooi. Nadat de Indische spelers hun aanvoerder op de schouders hadden genomen, werd ook Oranje-aanvoerder Rein de Waal in de lucht getild.

Prachtige propaganda

Kortom, de Oranje Heren lieten een goede indruk achter of zoals de Sumatra Post omschreef: ‘Dit succes is een pracht van propaganda geworden voor de hockeysport, die tot voor enige tijd in ons land nog altijd voor velen als een tweederangs sport beschouwd werd.’


Wat vind jij? Praat mee...