Hockeymonoloog Sam van der Ven: ‘Keepers zijn perfectionisten’

In de Hockeymonoloog van hockey.nl praten hockeyers uitgebreid over hun liefde voor het spel. Vandaag HGC en Oranje-keeper Sam van der Ven (29). Over de uitstraling van de keeper, over eenzaamheid in de goal, de toeschouwersstand en zijn slechtste wedstrijd ooit. ‘Twee keer per week word je als keeper echt goed geraakt.’ 

‘Op de Rijswijkse hockeyclub zag ik voor het eerst een hockeykeeper in vol ornaat langslopen. Ik dacht: wat is dat voor iets speciaals? Ik vond het er zo gaaf uitzien. Mijn interesse was meteen gewekt. Ik vond de robuuste uitstraling heel mooi. Zó stoer. Zelf was ik een klein iel ventje. Ik wilde die spullen weleens aantrekken. Het is niet dat ik me een ander mens voel als ik nu mijn keeperspak aantrek. Maar het voelt wél krachtig. Het voelt als een verlengstuk van mezelf. De materialen beschermen me, voor iets wat ik altijd met liefde doe. Als ik mijn spullen heb aangetrokken, voel ik me sterk. Ik kijk weleens in de spiegel als ik mijn keeperspak aan heb. Om te zien of mijn shirt goed zit en of de kleurencombinatie een beetje klopt.’

‘Mijn vader sleurde me vroeger altijd mee naar het volleybal. Soms viel ik in bij een team en genoot ik er al van om te duiken naar alle ballen. De bal in de lucht houden vond ik toen prachtig. Misschien dat daar mijn liefde voor duiken vandaan komt. Als ik niet was gaan hockeyen, was ik zeker op volleybal gegaan. Als hockeykeeper ben je de uitzondering op de regel van het spel. Dat je net even anders bent, vind ik interessant. Met voetbal mag niemand met zijn handen de bal raken, behalve de keeper. Met hockey mag niemand met zijn voeten de bal raken, behalve de keeper. Die uitzonderingspositie binnen een team heeft me altijd aangetrokken.’

Sam van der Ven tijdens de training van HGC. Foto: Koen Suyk

Van der Ven mocht zijn grote voorbeeld Guus Vogels opvolgen

‘Vanaf de C’tjes was ik de vaste keeper bij Rijswijk. Een goede vriend van mijn tandarts bleek keeperstrainer Martijn Drijver, die was gitarist bij de band waar ze samen speelden. De tandarts zei dat ik hem moest opbellen. Ik heb de stoute schoenen aangetrokken en dat gedaan. Martijn heeft mij meteen verder geholpen. Dankzij hem is mijn keepercarrière echt gaan rollen. Het grootste deel van de technieken die ik gebruik komen van hem. Hij traint me nog steeds.’

‘In de B stapte ik over naar hdm. Vanaf de senioren ging ik naar HGC, waar mijn idool Guus Vogels van het Nederlands elftal keepte. Als ik maar een beetje kon zijn zoals hij, was ik al blij. Toen hij stopte, mocht ik zijn plek overnemen. Dat we meteen de EHL wonnen op HGC (2011), was een heerlijke binnenkomer. Toen maakte ik onbewust een van mijn beste reddingen ooit. We stonden in de finale van de EHL met 1-0 voor, zes seconden op de klok. Club de Campo krijgt een kans. Als ik terugkijk weet ik dat ik een verkeerde keuze maak door de goal te snel uit te komen. De aanvaller slaat een backhand, ik strek me uit en pak de bal met wat geluk met mijn handschoen.’

Je bent de held of de schlemiel Sam van der Ven

‘Keepen is zo zwart-wit. Dat vind ik het mooiste. Het is alles of niets. Dat is zo speciaal. Elk foutje betekent een goal tegen. Je bent de held of de schlemiel. Dat is gaaf aan keepen. Keepers zijn daarom perfectionisten. Een echte ‘Sam-redding’ is denk de halve split met mijn benen. Die vliegt er soms spontaan uit. Een keeperstraining is echt soms voor autisten. Dan oefen je twintig minuten lang één soort bal. Ik train bijvoorbeeld twintig minuten lang een redding met een lage stick. Dan is het eindeloos die beweging oefenen. Letten waar je stick heen gaat. Net zolang totdat die beweging goed voelt. Ik let op alle details. Land ik op mijn elleboog, op mijn heup? Mensen vergeten soms, dat je als keeper naast de trainingen met je team nog minimaal één of twee keer keeperstraining hebt.

Sam van der Ven in actie voor Oranje tijdens de HWL Final tegen België. Foto: Koen Suyk

‘Je screent de cirkel’

‘Keepen is alle randvoorwaarden om je heen positief beïnvloeden, zodat je voorkomt dat je die bal moet stoppen. Al voordat je die bal krijgt, moet je de kans zo klein mogelijk maken dat je die bal krijgt. Je screent de cirkel: daar staat iemand niet gedekt. Staan de verdedigers verder goed? Hoe sta ik zelf? De basishouding van de keeper is op de voorvoeten, met een knik door je knieën. Met druk op de bovenbenen. De handen hoog, mooi onder schouderhoogte. Als iemand schiet, kijk je of er nog kans is op een tip. Dan zijn er drie elementen belangrijk: de snelheid, de hoogte en de richting van de bal. ’

‘Een koel hoofd houden is de kunst van het keepen. Daar heb ik weleens moeite mee gehad. Je moet als keeper waken dat je in een soort toeschouwersstand komt. Soms is je team continu in de aanval, en loopt het verder stroperig. Dan kun je gaan balen. Het is absoluut niet mijn taak om toeschouwer te zijn van onze eigen wedstrijd. Ik moet altijd denken: wat ligt in mijn macht qua countercontrole? Ik moet zorgen dat de laatste linie goed staat, ook als ik weinig te doen heb.’

Sam van der Ven in Buenos Aires, op de training van Oranje. Foto: Rodrigo Jaramillo/Worldsportpics

Van der Ven voelde zich nooit zo slecht als toen in Zeist

‘De slechtste wedstrijd van mijn leven speelde ik op Schaerweijde, een competitiewedstrijd die we verloren met 4-3 (maart 2016, red.). Ik kwakkelde met mijn niveau. Ik stond daar de hele wedstrijd met knikkende knieën, met zo weinig zelfvertrouwen. Drie van de vier strafcorners waren raak. Het waren ballen die ik had moeten hebben. Maar ik had op dat moment zo weinig zelfvertrouwen. Alles op goal ging erin. Het gevoel was zó slecht. Ik ging die dag helemaal niets stoppen. Daarna was ik er echt even klaar mee. Zo’n wedstrijd wilde ik nooit meer spelen. Zo wilde ik me nooit meer voelen. Dat was een omslagpunt. Daarna ben ik naar een sportpsycholoog gegaan en heb ik me mentaal verbeterd. De chaos is minder in mijn hoofd. Ik kan beter met tegenslagen omgaan. Maar de nul blijft iets heilig voor een keeper. Of je daarvoor nou twee ballen moet stoppen of twintig.’

Al voordat je die bal krijgt, moet je de kans zo klein mogelijk maken dat je die bal krijgt Sam van der Ven

‘Twee keer per week word je als keeper echt goed geraakt. Die pijn vind ik nog steeds niet fijn, maar je raakt eraan gewend. De ene week heb je een blauwe plek, de andere keer een pijnlijke spier. Je moet op je tanden bijten. Soms word je als keeper ook geraakt op de verkeerde plekken, omdat je vooral zelf niet scherp bent. Op de training word ik niet heel snel boos als mensen mij raken. Alleen als er een extreem lomp schot komt, vanuit een kleine hoek. Dan zeg ik wel wat. Als je drie keer achter elkaar in een oefening wordt geraakt, roep ik ook weleens dat het team maar lekker op een leeg goal mag slaan. Dan ga ik even water drinken. Dat wordt dan wel geaccepteerd. Ondertussen kan ik even in mijn helm schelden.’

Sam van der Ven voor de Pro League-wedstrijd tegen Duitsland. Foto: Willem Vernes

De strafcorner begint altijd met een fout

‘De strafcorner is een onderdeel om je als keeper te onderscheiden. Een wedstrijd in een wedstrijd, waar ik rituelen voor heb ontwikkeld. Ik vind het nu leuker dan vroeger. Het was echt iets voor mij om aan te werken. Ik heb veel met keeperstrainer Simon Zijp over de psychologie van de strafcorner gesproken. Het begint er al mee dat een strafcorner vaak komt door een fout van iemand anders. Dat moet jij dan gaan oplossen. Wie staat er op de kop cirkel? Hoe willen we gaan lopen? Dan spreken we dat door. Daarna komt voor mij het belangrijkste moment. Een paar seconden voordat de bal wordt aangegeven adem ik diep in. Daarna goed uitademen. Kop omhoog. Dan concentreer ik me alleen nog op de bal.’

‘Mijn keepersspullen liggen vaak in de auto. Het past precies, net onder de hoedenplank. Meestal kan ik ze op de club laten drogen op een speciaal droogrek. Dat is fijn met dubbeltraining. Maar als je eerst met club traint en de dag erop met Oranje, dan kan ik het niet altijd allemaal laten drogen. Als het mooi weer is, leg ik het zo op balkon. Maar eigenlijk zou elke keeper een schuur moeten hebben. Een tuin met een tuinhuisje, om daar de spullen te laten drogen. De tok, broek, bodyprotector en armbeschermer wil je altijd drogen. Het is vervelend als die nat zijn om aan te doen. Het liefst wil je dat de keepersspullen altijd droog zijn, maar dat kan niet altijd. Het vervelende aan keepen is dat als je de spullen in de auto laat drogen dat je dan een meurende auto krijgt. Dan durf ik echt niemand erin mee te nemen, want dan blijft die geur gewoon hangen.’

Keeper speelt eigen wedstrijd

‘Ik voel me nooit eenzaam in de goal. Je speelt alleen wel als keeper je eigen wedstrijd, niet de wedstrijd die iedereen speelt. Ik wil wel graag het team helpen. Ik voel me sterk in het team. Als je het met z’n allen goed hebt gedaan, is dat het beste gevoel. Daarom zou ik nooit op een individuele sport gaan. Ik wil met elkaar op het veld staan. Niet alleen mezelf beter maken, maar het hele team. Mijn persoonlijkheid zit ook zo in elkaar dat mensen me aardig moeten vinden. Alhoewel ik dat gevoel vroeger sterker had dan nu. ’

Champions Trophy 2018 in Breda tegen India. Foto: Koen Suyk

Lees ook andere hockeymonologen:


4 Reacties

  1. alsjemenou

    alsjemenou

    Mooi verhaal en inkijk qua keeper zijn. Er zijn heerlijke geurtjes voor in de auto en een föhn helpt ook wel.

    1. fritsfransen

      fritsfransen

      Wat moet ‘ie nou weer met een föhn. Heeft 70 minuten lang toch een helm op. Ontopic: lijkt me een relaxte kerel en krijgt dankzij het aanvallende spel van HGC ook genoeg te doen. Weet niet of ‘ie internationale top is. Maargoed, wat weet ik ervan.

  2. ronaldensandra@snelnet.net

    sanfleuri

    Wat een leuk interview en een heel herkenbaar verhaal als moeder van 2 keepers.... vooral dat van het perfectionistisch zijn 👍🏻💪🏻❤️

  3. haags-hopje

    haags-hopje

    Aardige kerel. Misschien wel té aardig om echte (wereld)top te zijn... Hoop dat hij deze play offs een belangrijke wedstrijd uit het vuur kan slepen. Succes Sem!


Wat vind jij? Praat mee...