Hockeyverhalen: van shirts van de kledingbeurs naar gesponsord kledingpakket

In ‘Hockeyverhalen’ anekdotes van redacteur Sander Collewijn, die o.a. bij Hurley Hoofdklasse speelde. Deze week over een jeugd in tweedehands shirtjes van de kledingbeurs. 

Een deel van mijn ouders geloofde in God, maar ze geloofden helaas niet in nieuwe hockeyshirtjes. Als je er elk jaar weer uitgroeit, kun je net zo goed een tweedehands exemplaar op de kop tikken bij de kledingbeurs, zo was jarenlang hun religie. Dat mijn vader vroeger twee keer per jaar sokken bij de gemeentelijke steun moest ophalen, zal hieraan hebben bijdragen.

De kledingbeurs op hockeyclub Soest.

De kledingbeurs, de kringloopwinkel van de hockeywereld

Natuurlijk liep ik zoals elk kind met de tong op de mond door een sportwinkel. Die had een magische aantrekkingskracht op me. Daar hingen glimmende trainingspakken en hagelnieuwe hockeysticks en tennisrackets. Maar dat was niet het domein voor mijn hockeytenue, hoe graag ik dat ook had gewild. De traditionele kledingbeurs op de hockeyclub, de kringloopwinkel van de rijke hockeywereld, was voor mijn moeder en mij de plek om onze slag te slaan. Ik weet niet beter dan dat ik mijn hele jeugd in Maarssenbroek en IJsselstein in tweedehands shirts hockeyde.

Het was en is een goedkope en snelle manier om de verplichte clubkleding te vinden. Het begon voor mij op hockeyclub Maarssen, waar we uit wat polo’s in mijn maat de minst gedoofde parel probeerden op te vissen. Echt blij werd ik niet van die vale shirts, waarvan de kleur schril afstak bij de nieuwe shirts van mijn teamgenoten, maar veel pijn deed het me ook niet. Het was zoals het was. Hockey vond ik geweldig en dat ik kon spelen in ongeveer dezelfde kleur als mijn teamgenoten was het enige dat telde.

Hockeyclub Westerpark. Voor veel hockeyjeugd betekende woensdag 29 april een bevrijding. Eindelijk mocht er voorzichtig weer gehockeyd worden. Foto: Koen Suyk

Een hockeywedstrijd, een Donald Duck en een cola: alles wat je nodig hebt in de D’tjes

Veel had ik verder niet nodig om gelukkig te zijn, toen ik in de D’tjes hockeyde, op zaterdag. Om precies te zijn: een hockeywedstrijd, een Donald Duck en een cola met veel prik. ’s Ochtends hockeyden we, dat was het hoogtepunt van de week. Daarna dronken we vooral veel ranja. We twijfelden daarna of we gingen douchen, omdat niet iedereen naakt durfde. Een Snickers van de coach als beloning voor een fris koppie haalde ons meestal wel over.

Daarna was het eindeloos pielen met elkaar op de club, totdat het rond tweeën was. Dan racete ik naar huis op mijn fietsje, zodat ik een vers bezorgde Donald Duck uit de brievenbus kon vissen. Daar mocht ik eindelijk een cola bij drinken, iets dat bij ons thuis alleen in het weekend op het menu stond en doordeweeks verboden was, net als chocoladevlokken overigens. Daarna gingen de beentjes op tafel en voelde ik me de gelukkigste jongen op aarde.

Dat hockeygeluk leek in het gedrang te komen, toen we van Maarssen naar IJsselstein verhuisden. Bij de indelingen in mijn allereerste IJsselsteinse hockeyblaadje scande ik alle teams, maar kon ik mezelf niet vinden bij ‘Jongens D1’. Het zou de eerste keer worden dat ik moest huilen om hockey. Hoe konden ze me in hemelsnaam in het tweede team indelen?

Een paar uur later was duidelijk waarom. Ze hadden me nog nooit zien hockeyen en moesten oordelen of ik wel de D1 haalde, of dat de D2 beter bij me paste. Die zaterdag volgden er oefenwedstrijdjes, waar ze konden zien welk niveau ik had.

Funkey Hockey voor basisscholen tijdens de RHWL. Foto: Koen Suyk

Kleren maken de man, maar niet de hockeyer

De dinsdag na het selectieweekend kwam ik aan op IJsseloever. Op het enige kunstgras dat er toen lag aan de IJssel zou op de linkerhelft Jongens D1 trainen. Op de rechterhelft Jongens D2. De vrouw die de jeugdtrainingen coördineerde, stond bij het veld. Ik zal het nooit vergeten. ‘En…waar mag ik trainen? Links of rechts?’

Dit was allesbepalend, zo voelde het.

‘Je mag links’, zei ze met een glimlach. Ik rende het veld op.

Die zaterdag speelden we tegen Maarn D1. Mijn eerste competitiewedstrijd ooit voor IJsseloever. Ik droeg een vaal rood shirt en een lelijk blauw broekje, die mijn moeder en ik voor een prikkie bij de kledingbeurs cash hadden afgerekend. We wonnen 11-0. Ik scoorde acht keer.

Kleren maken de man, maar niet de hockeyer.

Omdat ik elk jaar in een tweedehands shirtje speelde, ging ik er anders mee om dan met een nieuw exemplaar. Toen hockeylegende Tom van ’t Hek handtekeningen kwam uitdelen op IJsseloever, liet ik hem met een balpen een hele grote handtekening zetten, midden op mijn shirt. Thuis pakte ik de dikste Edding en begon ik minutieus de heilige krabbel van de hockeygrootheid in het zwart over te trekken, op het rood van IJsseloever.

Ook op Oranje-Rood is er nog de tweedehands hockeykledingbeurs.

Tweecomponentenlijm om je hockeystick te onderhouden

Als je in die tijd ergens op de hockeyvelden rond Utrecht een balverliefde kabouter met een te grote handtekening op zijn polo zag hockeyen, was ik het. Ik was trots geworden op dat shirt en wilde nooit meer wat anders. Elke wasbeurt was me een doorn in het oog, maar de watervaste stift had zijn werk goed gedaan. Door die handtekening was dat oude shirt een collecters item geworden, ook al beleefde het shirt zijn tweede of derde leven.

Niet alleen mijn shirt was gepimpt. Ook mijn houten stick namen we onder handen. Omdat ik nogal klein was op 12-jarige leeftijd, hadden we er eigenhandig een stukje van afgezaagd.

De stick onderhield ik zelf. Elke week, als het zandveld van IJsseloever weer een klein stukje van de haak had afgesleten, smeerde ik wat tweecomponentenlijm op het hout, zodat er een mooi beschermlaagje onder de krul ontstond, waardoor de stick extra lang mee ging. Tweecomponentlijm was het heilige middel tegen het slijten van je geliefde hockeystick.

Als we zaalhockeyden in IJsselstein ging er een sok om mijn veldstick, met een elastiekje om de sok op zijn plek te houden. Voor die paar keer zaalhockeyen werd echt geen speciale zaalhockeystick gekocht.

Andere tijden.

Zelfs toen ik in het district speelde en ik in de B1 van Kampong ging hockeyen, bleek ik nog niet verlost van die kringloop. Mijn moeder en ik stonden vlak voor het seizoen alweer op de kledingbeurs aan de Laan van Maarschalkerweerd in Utrecht, om een tweedehands tenue te scoren.

Jongste jeugd aan het oefenen.

Uitgescholden voor ‘bananen’

Daarna kenterde het verhaal. In het tweede seizoen bij Kampong B1 hadden we zowaar een kledingsponsor. Chiquita. We kregen geen gratis bananen, maar wel een nieuw blauw shirt, met daarop het logo. Onze trainingspakken waren oversized, blauw met felgele strepen aan de zijkant, te vergelijken met de trainingspakken die je nu in de Netflix-documentaire The Last Dance ziet over basketballegende Michael Jordan. Als je de capuchon open maakte bij de nek, was je net een zonnebloem. Maar het was mijn eerste gloednieuwe hockeyshirt ooit, en dat gevoel maakte alles goed.

Dat andere teams ‘hahahaha, bananen’ riepen, vonden we niet zo heel erg.

De bedrukte hockeyshirts.

Sprookjesachtig werd het toen ik als 18-jarige de selectie van Kampong Heren 1 haalde. Alsof ik een kwartier gratis mocht shoppen in mijn favoriete sportwinkel. We kregen een enorme hockeytas, een zomerjas met pontificaal ‘Kampong Heren 1’ op de borst gedrukt, een heerlijke dikke trui met rugnummer (21) op de capuchon, nieuwe zeempjes tot de voorraad strekte, twee paar nieuwe hockeyschoenen, scheenbeschermers, een paar nieuwe thuissokken (blauw) en uitsokken (wit). Een nieuw trainingspak. Een maagdelijk wit hockeybroekje. Twee gratis hockeysticks, van Dita of Grays. Elk model dat je maar wilde.

In dit droompakket voor hockeyers waren de twee shirts het hoogtepunt. Met sponsor en rugnummer, en achternaam. Een korenblauw thuisshirt, en een rood uitshirt. Vers katoen, net uit het plastic. Alles in de maten die ik vooraf had opgegeven. De kleuren spraken, want ik was de eerste eigenaar. Wekenlang heb ik verliefd naar mijn nieuwe capuchontrui, tas, hockeyschoenen, sticks en hockeyshirts gekeken. Ik moest het elke dag even aanraken. Die sportwinkel, die was eindelijk in mijn slaapkamer.

Lees ook andere hockeyverhalen


6 Reacties

  1. solo

    Sander, dank voor je verhaal. Hier spat de liefde voor hockey van het scherm en dat het niets uitmaakt hoe. Ik hoop dat de jongeren hier iets van leren. Geweldig....

  2. Stockey123

    Mooi geschreven! Hockey zal voor het grootste gedeelte altijd een elite sport blijven. Bij geen enkel ander sportpark dan bij hockey, staan de duurdere auto’s naast elkaar...

  3. Siggy Aikman

    Prachtig verhaal weer Sander. Mooie inkijk ook in de passie volle wijze waarop je, je hockey hebt beleefd. Herkenbaar ook. Ken je niet anders het mooie was dat je daarnaast ook een passie hebt voor tennis. Die 2 sporten gingen lang samen totdat ze beiden teveel eisend werden en kinderen werden gedwongen te kiezen. Blij dat je voor het hockey behouden bent gebleven. Dank voor de unieke wijze waarop je naar het hockey kijkt. Ik geniet er elke keer weer volop van en dagdroom dan weer verder over hetgeen je geschreven hebt alleen dan over mijn context. Siegfried Aikman

  4. Horn_964

    Liefde voor het spel. Mijn zoons bellen tegenwoordig hun sponsor als er een stukje van hun stick is afgesleten... Waar zijn idd die eerste jaren dat de jaarlijkse verkoop van gevonden voorwerken in de 6- en 8-tallen voorzag in scheenbeschermers, winterhandschoenen en hun eerste Canterbury thermo’s. Een onuitputtelijke bron van prima spullen... Goed verhaal!

  5. jack-jacobs

    Heel mooi en beschrijvend verhaal Sander. Heb er van genoten. Ook die cola prik en Donald Duck na de wedstrijd op de zaterdag is heel herkenbaar! Ik kijk uit naar jouw volgende bijdrage 😊

  6. m-hockeygek

    Wat een feest van herkenning! De kledingbeurs maar ook dat laagje onder aan je stick. Wat mis ik die goeie ouwe tijd toen hockey nog een kneuterige familiesport was!


Wat vind jij? Praat mee...